Hoe een dorp zichzelf van ebola genas

Ebola twee jaar later De grootste uitbraak van ebola in West-Afrika is bedwongen. Er is zelfs een vaccin. Maar zelfredzaamheid in traditionele dorpen van Sierra Leone bleek al eerder effectief dan de grootschalige operatie van ‘mannen in maanpakken’.

Een meisje in Njala Giema in Sierra Leone, waar de ebola-epidemie vernietigend huishield. Foto Tommy Trenchard/ Polaris

Duivels dansen doldwaas tussen de ratelende bewoners van het dorpje Njala Giema in Sierra Leone. De gemaskerde en met bonte draden omhangen geesten drukken hun schokkende bekken als welkom tegen de bezoekers aan, die hier zojuist zijn aangekomen. Hier, in de regenwouden rond het drielandenpunt van Sierra Leone, Liberia en Guinee, lag het epicentrum van de ebola-epidemie die vanaf eind 2013 West-Afrika overspoelde en aan 11.300 mensen het leven kostte.

Nog steeds is de epidemie niet helemaal onder controle. Maar de bewoners van Njala Giema slaagden erin de ziekte te bestrijden, lang voordat de internationale hulpverleners in maanpakken actie ondernamen.

Wat deed de lokale bevolking goed, wat deden de buitenlanders verkeerd? Hoe kan Sierra Leone zich bij een mogelijke volgende epidemie beter weren? Met die vragen zijn onderzoekers van de universiteiten van Wageningen en Njala in Sierra Leone afgereisd naar Njala Giema. Met financiële steun van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken willen ze lessen trekken uit de respons op de ebola-epidemie, waarvan nu vaststaat dat die tekortschoot.

Ten onrechte zagen we de begrafenissen als bron van infecties

Paul Richards, antropoloog en ebola-onderzoeker

Het welkomstritueel is de zichtbare wereld. Maar wie verschuilen zich achter de duivelsmaskers? Dat zijn de onzichtbare dorpsleiders. De eeuwenoude geheime genootschappen in de regenwouden van West-Afrika zijn een parallelle machtsstructuur, onderdeel van een goed georganiseerde samenleving en essentieel voor het dagelijkse bestuur. Maar onzichtbaar voor iedereen van buiten het dorp.

Vanochtend liet in het dorp een oude man de geest. Niemand huilt, want zijn dood is nog niet officieel. Eerst moeten het stamhoofd Musa Kallon en leden van het geheime genootschap de juiste rites betrachten, opdat de overledene een vreedzame reis naar het hiernamaals maakt. Zonder het lichaam aan te raken wordt een ebolatest afgenomen. „Die les hebben we geleerd”, zegt Musa Kallon. „Snel na het begin van de uitbraak leerde ik mijn inwoners geen lijken aan te raken en elkaar niet de hand te schudden. Die maatregelen namen we omdat er geen hulpverleners waren.”

In de gemeenschapshal voeren de dorpelingen een toneelstuk op dat moet tonen hoe de epidemie Njala Giema trof. Er schieten tranen in de ogen van het stamhoofd als wenende vrouwen zich op een fictief ebolalijk werpen. De echtgenote van Musa Kallon was een van de eerste slachtoffers. De toeschouwers kijken somber, de duiveldanser beweegt niet meer, het toneelstuk lijkt echt geworden.

Peuter

Het dorp telt 500 inwoners, 89 kregen er in 2014 ebola, van wie er 68 stierven. De epidemie begon eind 2013. Ebola leeft in het regenwoud. De twee jaar oude peuter Emile in het dorp Meliandou in Guinee speelde rond kerstmis bij een holle boom met vleermuizen. Via hun poep sprong het virus over van de dieren- naar de mensenwereld. Het jongetje stierf, zijn moeder werd ziek, mensen uit hun dorp staken de rivier naar Sierra Leone over en arriveerden in het dorp Kpondu.

Op een dag in maart 2014 zat Finda Nyuma, een traditionele genezeres, in Kpondu lusteloos onder een mangoboom. „Ze babbelde er altijd op los, We vroegen ons af waarom ze niet meer wilde praten”, vertellen de bewoners. „De volgende dag antwoordde ze niet meer en stierf.”

Zij was de enige bij wie je terecht kon voor ziektes en mysterieuze klachten. Een gerespecteerde inwoner dus en iedereen huilde. In hun rouw wierpen velen zich op haar lichaam. Zo kregen nog 24 inwoners in Kpondu ebola en stierven. Ze waren de eerste slachtoffers in Sierra Leone, maar niemand wist de oorzaak toen nog.

De angst sloeg toe. „Iedereen om me heen ging dood”, vertelt de jonge Samson in Kpondu. Hij laat wonden op zijn armen en benen zien. Wild kijkt hij uit zijn rode ogen. „Ik werd gek en dorpsbewoners bonden me wekenlang vast.” De zwaar getraumatiseerde Samson kan niet meer voor zichzelf zorgen. Hij is een van de vele ‘post-ebolaslachtoffers’; geen slachtoffer van het virus, wel getraumatiseerd.

Ngundu Sukila kreeg ebola door de verzorging van zijn zieke broer. Hij overleefde. De ebola-epidemie in West Afrika was de eerste uitbraak op zo’n grote schaal. Daardoor zijn nieuwe inzichten ontstaan. Zo wordt nu pas duidelijk hoe sommige overlevenden na hun genezing nog maanden lang ernstige verschijnselen vertonen. „Ik voel hevige pijn in mijn ogen en buik”, zegt Sukila. „En soms val ik midden in een gesprek in slaap.” Resten van het virus blijken zich te verbergen in het lichaam, zoals in ogen, hersenen en sperma.

Centrale gezag

Arme en gemarginaliseerde gebieden bieden een vruchtbare voedingsbodem voor zowel burgeroorlogen als epidemieën. Rond het drielandenpunt waar het epicentrum van de epidemie lag, brak in 1991 ook de opstand uit tegen het centrale gezag in de hoofdstad Freetown, een van de wreedste oorlogen in de recente Afrikaanse geschiedenis. Het wegennet bestaat er uit geërodeerde zandpaden door de bossen, in vervallen dorpjes slingeren planten zich rond de ruïnes van de oorlog. Toiletten zijn hier een luxe, sociale voorzieningen een droom.

„We hebben geen ziekenhuizen en ambulances”, klagen de inwoners. „Waar kunnen we terecht als er ziektes uitbreken? Niemand in het verre Freetown kent ons lot, niemand bekommert zich om ons.” Sukila moet bij de enige gezondheidspost in de wijde omgeving betalen voor de medicijnen tegen zijn stekende hoofdpijn. „Ik sta er helemaal alleen voor”, klaagt hij.

Verpleegkundige Mercy werkte in de buurt van Kpondu in een klein gezondheidscentrum. Toen ze hoorde van de mysterieuze sterfgevallen, besloot ze te gaan helpen. Zo liep ook zij ebola op en bracht de ziekte naar haar dorp Njala Giema, drie uur rijden verderop. En zo verspreidde het virus zich steeds verder.

In het toneelstuk in de dorpshal van Njala Giema brengt een man zijn zieke vrouw naar het bos om haar met kruiden te verzorgen. Zonder haar aan te raken. Van ebola wisten de bewoners nog niet, maar ze hadden wel ervaring met pokken en andere uiterst besmettelijke ziektes onder kippen en geiten. Stamhoofd Musa Kallon zag het verband en op zijn initiatief gingen dorpsbewoners met plastic zakken om hun armen en voeten gebonden voor de zieken zorgen. Hij vormde een speciale eenheid voor veilige begrafenissen. Vrijwilligers begonnen een voorlichtingscampagne over hygiëne en vertelden de inwoners dat ze dorpelingen met verdachte symptomen moesten isoleren.

Het theater is afgelopen en er verschijnt weer een glimlach op het gezicht van het stamhoofd. „Nu de beenderen zijn begraven, hoop ik dat onze voorvaderen tevreden met ons zijn. Als zika hier zou komen zijn we er klaar voor.”

Sirenes

Pas drie maanden na de mobilisatie tegen ebola arriveerden uit Freetown de eerste medische teams en ambulances in zijn dorp om patiënten en lijken veilig te vervoeren. Maar in het klimaat van wantrouwen tegen de overheid stuitte die eerste respons van de regering op angst en woede. Een ambulance met gillende sirenes werd met stenen bekogeld door dorpsbewoners die dachten dat het medisch personeel hen ebola bracht. In een ander dorp geloofden de inwoners een vrouw die van een slang had gehoord dat de epidemie een wraak was van boze voorvaderen.

De epidemie had zich toen al verspreid van het platteland naar de steden. De regeringen van de drie getroffen landen Sierra Leone, Liberia en Guinee reageerden met een quasi-militaire aanpak. Ze vergrendelden stadsbuurten en districten, patiënten verdwenen achter prikkeldraad in angstaanjagende kampen, ziekenhuizen en scholen sloten hun deuren. In Liberia werden tot afschuw van de bevolking lijken gecremeerd. Zo bleven de zielen van de overledenen boos rondwaren en bereikten de hemel niet. Plattelandsbewoners kregen geen beschermend materiaal voor thuiszorg. Ze werden niet bij de strijd tegen de epidemie betrokken en dat zette kwaad bloed.

De Britse antropoloog en emeritus-hoogleraar Paul Richards, sinds 1977 werkzaam in Sierra Leone, maakt deel uit van het onderzoeksteam van de Universiteit van Njala. Volgens Richards boekten de plattelandsbewoners al resultaten lang voor de internationale respons.

„Ze begrepen dat het aanraken van lijken en slachtoffers een groot risico inhield. Maar hoe kan je je geliefden onbegraven laten. Dus vroegen ze Freetown om plastic handschoenen, maar die kwamen niet. Wat doe je dan als je overleden familieleden liggen te rotten in je dorp? Ze organiseerden zelf hun eigen begrafenisteams. In landelijke gebieden was in augustus 2014 het toppunt van de epidemie al voorbij, veel van de plaatselijke initiatieven waren effectief. Daar moeten we van leren.”

WHO

De afgelopen tijd is er veel kritiek geweest op de buitenlandse hulpverleners die zonder kennis van de lokale cultuur aan de slag gingen, op de falende overheid, op de veel te traag en bureaucratisch reagerende Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). En op de media die ten prooi vielen aan paniek en halve waarheden verkondigden.

„In de paniek van het begin heeft iedereen fouten gemaakt”, zegt Richards. Hij verwijt zichzelf onvoldoende onderzoek te hebben gedaan naar de rol van de begrafenissen bij de verspreiding van de epidemie. „Ten onrechte werd verondersteld dat de begrafenissen de bron van infectie waren. Toen de regering inwoners verbood hun geliefden te begraven versterkte dat het verzet tegen de louter medische aanpak van de epidemie. Achteraf bleek dat niet het begraven, maar het afleggen van het lijk de infectiebron was.”

Alle ziekenhuizen in Sierra Leone zijn een jaar lang dicht gebleven. Vrouwen overleden bij gecompliceerde bevallingen en eenvoudig te behandelen verwondingen werden dodelijk. Vermoedelijk stierven voor ieder ebolaslachtoffer drie andere zieken wegens gebrek aan medische verzorging.

Als zika hier zou komen zijn we er klaar voor

Musa Kallon, dorpshoofd van Njala Giema in Sierra Leone

Het enige ziekenhuis in het land dat bleef functioneren was het hospitaal van de Nederlandse Lion Heart Foundation in Yele. Bij de behandelend arts Erdi Huizinga werd in september 2014 ebola vermoed. Ze werd geëvacueerd naar Nederland, maar bleek malaria te hebben. Nu is ze terug in Yele. Vijf mensen van haar medisch personeel bleken wel besmet, van wie er vier overleden.

Haar collega Foday Fornah had een maand eerder in Yele urine afgenomen van een zieke vrouw. Beschermend materiaal was er nog niet. Enkele dagen later kreeg Foday hevige koorts en werd hij naar een ebolacentrum in de regio gebracht. Foday sleepte zich er doorheen. „Alsof ik tien keer malaria had, zo ziek voelde ik me. Ik kon nauwelijks meer horen en wist niet of er zon of duisternis was. Ik kon niet meer communiceren, ik stond er helemaal alleen voor. Maar ik kon de kracht nog opbrengen om te hopen. En dwong mezelf iedere dag een of twee meter te lopen, om de ziekte eruit te zweten.”

Volgens de nieuwe richtlijnen is seks tenminste een half jaar uit den boze. Hij sliep zes maanden op de grond naast het bed van zijn echtgenote. Na zijn ziekte leefde hij op door andere ebolapatiënten in het ziekenhuis van Yele te verzorgen.

Wat hebben ze volgens Foday van de epidemie geleerd? „Met de kennis van nu, moeten we een volgende keer bewoners hun zieken zelf thuis laten verzorgen. De hulpverleners moeten een grotere rol toekennen aan onze stamhoofden en leden van de geheime genootschappen. Want wij kennen onszelf het beste.