Gemeenten willen ‘eigen’ vluchtelingen

Verschillende gemeenten willen de vluchtelingen die er in noodopvang zaten, terug als statushouders. „Er is een goede band tussen ons ontstaan.”

Krimpen aan den IJssel laat zijn vluchtelingen niet zomaar gaan. Zodra zij de lokale noodopvang verlaten voor de volgende stap in de asielprocedure elders in het land, krijgen zij van de gemeente desgewenst een brief mee. Een geplastificeerde brief, gericht aan het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA). Boodschap: het is „zeer gewenst” dat deze persoon na afloop van de asielprocedure wordt „teruggeplaatst” naar Krimpen aan den IJssel. Met vriendelijke groet, M.W. Vroom, burgemeester van Krimpen.

Een kleine honderd vluchtelingen, met name Syrische gezinnen, zitten sinds half november in voormalig hotel De Stuw in Krimpen. Er is een „goede band” ontstaan tussen deze groep vluchtelingen en de Krimpenaren, zegt burgemeester Vroom (CDA). Vluchtelingen dineren bij inwoners, ze leren Nederlands van vrijwilligers, kinderen gaan naar school, sommige vluchtelingen lopen stage bij de lokale bakker.

De hele groep is binnenkort elders. Zoals dat gaat: eerst zit men een aantal maanden in de gemeentelijke noodopvang, dan moet men doorstromen naar een asiellocatie van het COA. Daar begint de asielprocedure. Krijgen ze een verblijfsstatus, dan kan het COA hen in beginsel overal in Nederland huisvesten.

Juist dat wil men in Krimpen niet. Dertien van de vluchtelingen die vorige maand al verkasten naar een ‘procesopvanglocatie’ in Wageningen, hebben de burgemeestersbrief daarom meegekregen. Want, zo denken bestuurders, vrijwilligers én deze vluchtelingen zelf: de integratie in onze gemeente was toch niet voor niets? Krimpen moet hoe dan ook, zoals alle gemeenten, vluchtelingen met een verblijfsvergunning huisvesten, zegt de burgemeester. „Laat dat dan deze mensen zijn.” Vandaar de brief. „Zodat het COA zich twee keer bedenkt voor het deze mensen plaatst in Delfzijl.”

Dit geluid – wij willen onze vluchtelingen terug – uiten meerdere gemeenten. Amersfoort, Houten, Bussum, Laren, acht andere gemeenten uit de Gooi- en Vechtstreek. Alle hebben aangeklopt bij het COA om de kwestie te bespreken. En alle zeggen hetzelfde: we kénnen deze vluchtelingen nu, en we moeten tóch vergunninghouders huisvesten.

De wens vindt zijn oorzaak in de chaotische herfst van 2015. Tienduizenden vluchtelingen bereikten Nederland. Er gebeurde iets bijzonders: asielbeleid werd improvisatie. Volgeladen bussen reden kriskras door het land op weg naar een sporthal. Het COA, getraind om vluchtelingen te zien als deel van het asielsysteem, raakte overvraagd. Het moest de crisisopvang overlaten aan gemeenten, die op hun beurt leunden op lokale vrijwilligers. Gemeenten en vrijwilligers zagen in de vluchtelingen geen systeem, zij zagen mensen. Zij ontfermden zich afgelopen herfst en winter over hen, hechtten zich aan hen. Ze sleepten dozen vol kleren aan, kinderfietsjes, kookten voor hen thuis. Soms bleven de vluchtelingen tien dagen in de gemeente, dan weer een maand of vier omdat een leegstaande school kon dienstdoen als herberg.

Toen moesten de vluchtelingen weg. Hup, de bus in, invoegen in het systeem van het COA. De vluchteling werd weer een nummer. Ondergebracht in een kamertje van de asiellocatie, wachtend op de start van de procedure.

Maar de toewijding van vrijwilligers en gemeenten is gebleven, zelfs al was het verblijf in de gemeente soms kort. Neem Houten. 170 vluchtelingen verbleven in oktober dertien dagen in sporthal De Wetering. Vrijwilligers organiseerden zich om de groep welkom te heten. Ze regelden van alles. Tandpasta op? Nieuwe tubes. Bril van een vluchteling stuk? Samen naar de opticien.

Groepsgevoel

De Houtense vluchtelingengroep trok verder. Eerst naar een sporthal in Leek, toen naar Heumensoord, Nijmegen. Vrijwilligers uit Houten gingen er langs. „Elke week wel twee keer”, zegt een initiatiefnemer van de vrijwilligersgroep, Marjon Letter. Nu zitten de vluchtelingen op asiellocaties, verspreid van Doetinchem tot in Ter Apel. Maar er blijft sprake van een groepsgevoel: vorige week slaagden de Houtense vrijwilligers erin 44 vluchtelingen op te halen van de asiellocaties, voor een terugkomdag op het oude nest.

De meeste ‘Houtense’ vluchtelingen willen definitief terug naar de gemeente. Dat lijkt te gaan lukken: Houten heeft met het COA afgesproken dat de vluchtelingen worden teruggeplaatst als ze een verblijfsstatus krijgen. Zij dragen, à la Krimpen, een gemeentelijke brief bij zich om het COA aan de afspraak te herinneren.

Soms zijn het de asielzoekers zelf die proberen hun kans op terugplaatsing te vergroten. Zestig mensen die in de noodopvang in het Gooise Crailo overwinterden en nu verspreid zijn over asiellocaties, hebben zich verenigd in whatsappgroep Crailo United. Een lijst met hun namen hebben zij ingediend bij de gemeenten van het Gooi, die het COA vragen om hun terugkeer. Oprichter van de whatsappgroep Khaled Salhani vanuit Doetinchem: „We kennen Crailo. De mensen, de omgeving, de weg naar de supermarkt. Daarom willen wij terug.”

Gemeenten zelf hebben, naast het integratievoordeel, nog een belang bij het terughalen van vluchtelingen: draagvlak. Tegenstand tegen de komst van vluchtelingen is wijdverspreid, zegt de Larense burgemeester Elbert Roest (D66). „Dan is het effectief om bekende gezichten naar je gemeente terug te halen.”

Wat vindt het COA van de terugkeerwens?

„Koppeling aan een gemeente gebeurt in principe alleen als er bijvoorbeeld al eerstelijnsfamilie in die gemeente woont”, aldus woordvoerder Jan Willem Anholts. „Het systeem is leidend.” Crailo, bijvoorbeeld. Vluchtelingen willen als statushouder tijdelijk terug naar die noodopvang. Maar het duurt nog zeker anderhalve maand voordat zij een verblijfsstatus hebben. Anholts: „Al die tijd heeft die noodopvang lege plekken. We kunnen die plekken moeilijk reserveren. Er is nieuwe instroom.” Maar uitgesloten is niets. Zelfs het maken van afspraken niet, zoals de Houtense casus laat zien. Anholts: „Met deze wens van gemeenten moeten we omzichtig omgaan. We kunnen altijd de mogelijkheden bespreken.”