Een derde leven in de stad

Welgestelde 55-plussers verhuizen terug naar de stad. De provincie is saai nu de kinderen de deur uit zijn. Terras en theaters lonken. En de kleinkinderen.

Vijftien auto’s vol spullen moesten er weg. Dat krijg je als je van een huis met tuin in Aerdenhout naar een Haarlems appartement zonder garage en opbergruimte verhuist. Barbara Baars (49) en haar man deden dat vorig jaar; de kinderen werden ouder, twee van de drie gingen het huis uit. „Ons huis paste niet meer bij onze gezinssituatie. En als je kinderen groter worden, hou je toch wat meer tijd over. Dan is het lekker als je midden in de stad woont. We lopen nu zo naar een marktje of kroegje.”

Makelaar Mark Crone van CSV Makelaars in Amsterdam-Zuid heeft meer van dit soort klanten: mensen die op latere leeftijd naar de stad verhuizen. „Ze komen uit het Gooi of Bloemendaal en willen dichter in de buurt van cultuur en van kinderen en kleinkinderen wonen. Ze zoeken de geneugten van de stad, een bepaalde kwaliteit van leven.” Het zijn ook wel ouderen van wie de partner is overleden, zegt Crone. Vooral vrouwen. „De stad is toch minder eenzaam. Fijner dan wonen achter een groen hek in Aerdenhout.”

Cijfers zijn er niet, maar makelaars signaleren een trend onder welgestelde 55-plussers: ze willen terug naar de stad. De kinderen zijn de deur uit, de tuin is wat groot geworden, de terrasjes en theaters van de stad lonken.

Ze hebben er veel geld voor over, zegt makelaar Crone. Het zijn mensen uit de gegoede klasse, voor wie een vierkantemeterprijs van 10.000 euro geen probleem is. Want het soort huizen dat ze zoeken is schaars in de stad: benedenwoningen met tuin, of appartementen met een lift. „Het is een uitdaging het geschikte huis voor deze groep te vinden”, zegt makelaar Alice Bakker, gevestigd in de Amsterdamse buurt Jordaan. „Ze willen dichtbij de schouwburg zitten, het liefst gelijkvloers. En op de grachtengordel of in Zuid. Het moet allemaal wel kloppen.”

Tegelijkertijd doet ook deze groep veel concessies om in de stad te kunnen wonen. „Soms gaan ze van een huis van vijfhonderd vierkante meter naar een huis van 120 vierkante meter”, zegt Crone.

Minder ruimte, meer reuring

Ook Baars en haar man deden concessies. Ze hadden iets met twee of drie slaapkamers en een tuintje voor ogen; een huis op de begane grond. Vooral vanwege het hondje en de kat, voor wie het in het groene Aerdenhout „een soort walhalla” was – ze pasten allebei door het kattenluik. Maar iets met een tuin, dat bleek in Haarlem moeilijk te vinden. „En de huizen die we zagen, vond ik toch wel donker en benauwd”, zegt Baars. Het werd een appartement op de tweede etage. Ze moeten drie trappen op. Met de benedenburen, zestigers, zijn er al gesprekken over een lift. Voor later.

Marleen Bosman (60) en haar man willen vanuit Assen naar het westen trekken vanwege de kinderen. „Drie van onze dochters wonen in de Randstad. De jongsten zijn zich aan het settelen in Den Haag en Leiden, zij krijgen straks misschien kinderen. We hebben het gevoel dat we daar nu wel ver vandaan zitten”, zegt Bosman, die graag oppasoma wil zijn. Ze vindt het niet erg om hun alleenstaande huis met grote tuin in Assen te verlaten. „Het lijkt me juist fijn om een appartement te hebben. Geen zorgen meer om de tuin die onderhouden moet worden, en om de veiligheid. We hebben daarnaast nog een vakantiehuis in Frankrijk.”

Ook pied-à-terres zijn in trek. Betty Feringa (60) en haar man kochten onlangs een huis in Amsterdam, ook vooral vanwege de kinderen. Zelf wonen ze in Paterswolde. „Onze twee dochters zijn op een leeftijd waarop ze heel druk zijn met hun loopbaan en binnenkort misschien met een gezin. Dan is het lastig tijd vrijmaken om naar het noorden te gaan. Op deze manier creëren we weer ongedwongen familieomstandigheden, waarin we bijvoorbeeld samen even een hapje kunnen eten. Als mijn jongste dochter jogt, komt ze bij ons verse jus halen.”

Bovendien wonen de zussen van Feringa ook in het westen van het land. „Als we hen wilden zien, moesten we altijd in een hotel of logeren. En ik wil heel graag wakker worden in m’n eigen bed.” Ook voor haar man, die voor zijn werk veel moet reizen, is een bed in de buurt van Schiphol handig. Ze zochten drie jaar naar een geschikte woning: aan de rand van het centrum, met Amsterdamse allure. Dat is goed gelukt, ze hebben uitzicht op de Amstel. „Je weet direct dat je niet in Paterswolde zit.”

De helft van de jaarclub zit nu in de stad

Ook ondernemer Chris Westerveld (55) en zijn vrouw vonden de Amsterdamse allure waar ze naar zochten: twee verdiepingen op de grachtengordel, met tuin op het zuiden. Ze wonen in Breda. „Het vakantiehuisje in Zeeland werd wat saai”, vertelt hij. „In Amsterdam is er gezelligheid en cultuur. Er is veel te doen en veel te zien: leuke nieuwe tentjes ontdekken, naar tentoonstellingen, zomaar wat rondfietsen. Een paar kinderen studeren hier. En het is makkelijk afspreken met mensen; de helft van mijn jaarclub heeft tegenwoordig een appartementje in Amsterdam.” Eigenlijk is dat hetzelfde als dertig jaar geleden, zegt Westerveld, toen hij in Amsterdam studeerde.

Westerveld is zo’n twee à drie keer per maand in Amsterdam. In de weekenden en in vakanties. „We hebben ook even overwogen om helemaal te verhuizen, maar we hebben nog een schoolgaand kind. En als je hoort van die wachttijden in Amsterdam voor scholen en sportclubs... dat was de voornaamste reden het niet te doen. Het zou zomaar kunnen dat we later nog wel verhuizen.”

Welgestelde ouderen die naar de stad verhuizen, zijn een zeer specifieke groep, die afwijkt van de algemene trend. In de regel verhuizen ouderen juist nauwelijks, zegt bijzonder hoogleraar demografie Dorien Manting van de Universiteit van Amsterdam. En als ze al verhuizen, blijven ze in de omgeving. Nederlandse steden vergrijzen de komende decennia wel. Maar dat komt simpelweg doordat de veertigers van nu ouder worden en in de stad blijven wonen, zegt Manting. Het zijn vooral ouderen uit het noorden en oosten die over een lange afstand verhuizen.

Maria Buijen (68) past niet in die statistieken. Zij verhuist binnenkort na veertig jaar uit haar stad (Haarlem) naar een grotere stad (Amsterdam). „Omdat ik dat een leukere plaats vind. Amsterdam is meer een smeltkroes; er wonen veel verschillende soorten mensen samen. Ik houd van die drukte. Mijn kinderen wonen er ook, maar daar heb ik het niet om gedaan. Want die kunnen een keer weggaan.”

Dat je meer aan de stad gehecht kunt zijn dan je zelf in de gaten hebt, weten een zestigplusser en zijn vrouw. Zij maakten een paar jaar geleden een omgekeerde beweging: van Den Haag naar het oosten van het land. De kinderen waren het huis uit, dus konden ze hun droom, landelijk wonen, eindelijk achterna. Maar na drie jaar verhuisden ze weer terug naar Den Haag.

„We hadden het idee om te verhuizen al jaren”, vertelt hij. „We wilden lekker buiten wonen, meer rust en meer natuur. We deden uitgebreid vooronderzoek, bezochten heel wat plaatsen en dorpen aan de andere kant van het land. We spraken met veel mensen die een dergelijke switch al gemaakt hadden.”

Ze kozen voor een huis op een bosperceel, in de buurt van een dorp, historische stadjes dichtbij. Toch bleef de grote stad in gedachten. Ze misten de dynamiek. „We dachten: willen wij hier wel oud worden?”

Hun verhaal is rondgegaan, weet hij. Via via hoorden ze dat anderen hun plannen om de stad uit te gaan hebben bijgesteld. „De stad heeft toch wel veel voordelen. En als je naar buiten wilt, kun je altijd nog weg. Gewoon, in een hotel.”