Sprekend: Stefan de Walle (1965)

Acteur Stefan de Walle (1965) speelt in het stuk De Zender, dat deze week in première ging, een uitgerangeerde anchorman die een eigen programma krijgt. „Ik stam nog uit de tijd dat er maar één journaal was, met zo’n grote BOIING.”

Somberaar

„Bill McCannan is een beetje een oude somberaar. In het stuk De Zender foetert hij op de volgende generatie nieuwsmakers, die niet meer de ambitie hebben om het belangrijkste nieuws te brengen, maar die alleen maar denken: waar zit de handel? Wat vreet het publiek het lekkerst? Deels deel ik die kritiek. Actualiteitenprogramma’s zijn vaak alleen nog een platform voor de grootste muil. Er is veel te weinig ruimte voor het hele verhaal, voor de nuance, meningen zijn soundbites die bedoeld zijn voor de kijkcijfers. Ik mis het dat voor een kwestie de tijd wordt genomen, en dat er wordt doorgepeuterd en doorgevraagd.”

Onderbuik

„Dit script is uit 1976, maar zeer actueel, met die opportunistische programmamakers die de onderbuik aanboren omdat daar winst te halen valt. Ja, mensen laten roepen dat ze kwaad zijn, zoals in dit stuk, dat werkt, dat vinden ze lekker. Dat zie je nu bij protesten tegen asielzoekerscentra, of het fake-referendum van donderdag. Ik ben niet gaan stemmen. Ik ben tegen dat mobiliseren van de onvrede, terwijl niemand precies weet waarover en waarom. Lekker even tegen de elite aantrappen.”

Harmen Siezen

„De beide journaals, van NOS en RTL, vind ik nog best goed. Uit gewoonte kijk ik vooral naar het NOS-nieuws – ik stam nog uit de tijd dat er maar één journaal was, met zo’n grote BOIING, en een man in pak achter een bureau: Harmen Siezen of Fred Emmer ofzo. Ik heb hen niet extra bestudeerd voor deze rol. De film Network, waar het stuk op gebaseerd is, bood wel voldoende inspiratie: daarvan leende ik de cynische en alcoholische trekjes, maar als acteur werk ik altijd vrij intuïtief. Van dramaturgen krijgen wij altijd heel ijverig een dik pakket research opgestuurd, en dat blader ik dan wel door, maar verder klooi ik maar wat aan: spelen, improviseren, onderzoeken. En uiteindelijk vind ik dan iets dat goed voelt, een houding, een gebaar, dat op een heel natuurlijke manier in mijn lijf gaat zitten.”

Piano

„Ik speelde vroeger goed piano, dus toen ik Glenn Gould speelde in een voorstelling bij het Nationale Toneel in 2008, zag dat er heel natuurlijk uit. In die voorstelling zat een volledig geprepareerde piano, daar zat gewoon een computer in, maar één journalist schreef dat ik zo schitterend speelde, en toen kwamen we in een ingewikkeld pakket; moesten we dat nou laten rectificeren? Ik speelde wel kleine stukjes zelf, dus regisseur Franz Marijnen zei, ‘Zeg gewoon in interviews dat je óók zelf speelt’. Dat ging helemaal een eigen leven leiden. Toeschouwers stonden mij na afloop huilend op te wachten om me te bedanken voor mijn práchtige spel. En ik durfde ze niet uit de droom te helpen, dat is toch als een goochelaar die direct na de show uitlegt hoe ’ie doormidden wordt gezaagd. Maar het werd erg bizar en ingewikkeld. Ik werd zelfs gevraagd om een recital te spelen in de Koninklijke Schouwburg. De buurman, die ik het nota bene had verteld, was ook heilig overtuigd. Die zei: Nee, Stefan, ik zie het toch – jij speelt gewoon zelf! Nog steeds word ik wel eens voor concertjes gevraagd.”

Vieze buurman

„Als acteur, merk ik, zit je vaak een tijdje in een bepaalde bak. Vooral bij tv ligt typecasting op de loer. Dan ben ik weer een tijdje de vieze buurman, zoals in Nieuwe buren, maar na de film De Marathon werd ik opeens voor allerlei hardloopdingen gevraagd. Soms beseffen programmamakers te weinig dat je echt nog wel iets anders kan dan wat zij het laatst van je hebben gezien. Op straat word ik soms nog herkend als Kees uit de tv-serie Flodder. De exposure die dat heeft opgeleverd is buitenproportioneel, ongelofelijk, terwijl het gewoon heel lang geleden een uit de hand gelopen schnabbel was. Ik praat daar liever ook niet meer over eigenlijk, dat vind ik echt niet meer interessant. Gelukkig heb ik er in mijn toneelwerk nooit last van gehad; dat is toch een wat ander publiek.”

Maffiafamilie

„Zo’n groot gezelschap als het Nationale Toneel heeft iets van een maffiafamilie. Ik werk er nu vijftien jaar, het is soms lastig om er een beetje uit te breken. De planning is razend complex en als je even niet oplet zit je zo voor twee jaar vast. Zeker grote zaalvoorstellingen zijn een machine: een regisseur heeft ruim van tevoren een vastomlijnd plan, het decor wordt alvast gebouwd en voor je het weet staat iemand je een kostuum aan te meten. Dan mis ik het soms dat mijn eigen creativiteit wordt aangesproken, en ik betrokken word in het waarom van bepaalde keuzes. Ik wil me geen zetstuk voelen. Daarom was ik de laatste jaren heel blij met kleinere projecten, met regisseur Casper Vandeputte, of de samenwerking met mijn vrouw, Esther Scheldwacht, waarin ik echt mee kon denken en we de voorstelling samen maakten.”

Kwetsbare toestand

„Samenwerken met Esther gaat heel organisch. Zij regisseerde mij in Op een mooie Pinksterdag, een monoloog van een vader die zijn kind heeft verloren. Ze zegt dan echt wel eens ‘nee’ tegen mij, en dat kan ik goed hebben; dat doet ze tenslotte thuis ook wel eens. Thuis ging het werk door. Dan moest iemand wel af en toe even zeggen: nu gaan we gewoon even tv kijken. Esther komt vaak kijken bij een doorloop van een voorstelling. Als acteur sta je in een productie, maar je kunt jezelf natuurlijk niet zien. Dan is het prettig om nog een paar ogen te hebben, die je vertrouwt. Esther kan heel goed kijken en ze geeft heel nuttige feedback. En vertrouwen: soms denk je zelf: dit is een stom stukkie, en dan zegt zij: top! Acteren is steeds een heleboel schoteltjes hoog houden, het is één grote, kwetsbare, twijfelachtige toestand, en het is fijn als zij dan zegt: het is helemaal niet nodig om zo onzeker te zijn.”

Grote liefde

„Esther is ook actrice, en schrijfster en regisseur, dus de valkuil is dat we allebei veel te hard werken, en continu onder grote druk met heftige thema’s bezig zijn. De laatste tijd repeteerde ik overdag aan De Zender en speelde ’s avonds in De Revisor, en dan kan ik ’s nachts echt wakker schrikken, met: Bewaak in godsnaam de liefde! Zij is mijn grote liefde, en dat wordt me gaandeweg echt alleen maar dierbaarder. Soms moeten we dan samen echt even beslissen: Ho. En nu wij.”

Nee zeggen

„Ik ben vrij makkelijk om mee te werken, en ben slecht in nee zeggen. Uit angst voor conflict denk ik; ik ben dan bang dat ik óf heel boos word, of ga huilen. Van een ruzietje met iemand kan ik ’s nachts echt wakker liggen. Ik ben ook altijd bang om mensen te kwetsen. Maar dat begint een beetje te veranderen. Uit noodzaak: als ik zo door blijf denderen hou ik het niet meer vol, en ik moet voorkomen dat ik straks met tegenzin op het toneel sta. Als je te lang over je grenzen laat gaan, hol je jezelf uit. Dat gemakkelijke lijkt voor iedereen prettig, maar uiteindelijk ondermijn ik daarmee mijn eigen plezier. Dus ik oefen nu wat meer in nee zeggen, en met wonderlijk resultaat. Soms ben ik echt verbaasd: ‘Huh, het heeft het gewenste effect!’ Ach, het is een leerproces, zullen we maar zeggen. Ik ben nu vijftig, dus het is wel een keertje tijd.”