Column

Vergeten, toch mooi (3)

Niet alleen poëzie, maar ook proza, al is het nog zo mooi en indringend, kan vergeten worden. Daartoe behoren wat mij betreft de brieven die Franz Kafka geschreven heeft. Zijn verhalen en romans zijn nog goed verkrijgbaar, maar zijn brieven zijn na de jaren zeventig niet meer in Nederlandse vertaling uitgegeven, met uitzondering van de brieven aan zijn vriend Max Brod.

Toch heeft Kafka vooral aan zijn vriendin Felice Bauer prachtige brieven van een soms adembenemende openhartigheid geschreven. Steeds weer probeert hij haar te overtuigen van de onmogelijkheid van hun liefde, omdat zijn schrijverschap afzondering vereist.

Op 30 augustus 1913 schrijft hij haar (vertaling Nini Brunt): „Liefste Felice, je kent mij niet, in mijn slechtheid ken je mij niet en ook mijn slecht-zijn gaat terug tot die kern, die je literatuur of hoe je wilt kan noemen. Wat een ellendige schrijver ben ik toch en hoe slecht kom ik boven mijzelf uit, dat ik jou daarvan niet kon overtuigen. […]

Het zijn toch nauwelijks feiten die mij hinderen, het is angst, een onoverwinnelijke angst, een angst om gelukkig te worden, een lust en een bevel mijzelf te kwellen voor een hoger doel. Dat jij, liefste, met mij onder de wielen van die wagen moet komen, die alleen maar voor mij is bestemd, dat is zeker verschrikkelijk. De innerlijke stem verwijst mij naar het duister en in werkelijkheid word ik naar jou toegetrokken; dat is niet iets wat is te verenigen en wanneer wij het toch proberen treft het met dezelfde slagen jou en mij.

Liefste, ik wil je toch niet anders hebben dan je bent, ik heb jou toch lief en geen gestalte in de lucht. Maar dan verschijnt weer de tirannie, die ik alleen door mijn bestaan over jou moet uitoefenen, die tegenspraak verscheurt mij. Ook die toont de onmogelijkheid.

Als je hier zou zijn, als ik je zou zien lijden (het zou dat niet alleen zijn, je lijden in de verte is erger voor mij), zou ik de mogelijkheid hebben te helpen, zouden wij meteen kunnen trouwen, zonder nadenken, ik zou natuurlijk alles laten gaan en ook het ongeluk zou ik zijn gang laten gaan. Maar op het ogenblik is deze uitweg niet te vinden. […]

Ik kan voor mijzelf niet instaan. In je volgende brief of misschien vandaag in de nacht komt die angst weer, ik ontkom er niet aan, de tijd tot aan het huwelijk zou niet zijn door te komen. Wat zich tot nu toe iedere maand herhaalde, zal zich iedere week herhalen. […] Dat zal niet jouw schuld zijn, dat was het nooit, Felice, het is de schuld van een algemene onmogelijkheid. […]

En dat alles zijn toch alleen maar aanduidingen van mijn hele wezen, dat voortdurend aan jou zou rukken. Erken dat toch, Felice, ik lig vóór je op de grond en alsjeblieft, duw mij weg, al het andere is ons beider ondergang. Dat is het woord dat ik, geloof ik, ongeveer in januari, heb geschreven, het breekt weer door, het is niet tegen te houden. Je zou het zelf zeggen, als ik mij voor jou zou kunnen openscheuren. Franz.”

Vier jaar later maakte Kafka definitief een einde aan de relatie. Hij huilde uit bij Max Brod. „Is het niet verschrikkelijk dat zoiets gebeuren moet”, riep Kafka.

„Het was de enige keer dat ik hem heb zien huilen”, schreef Brod. „Ik zal deze scène nooit vergeten, zij behoort tot de verschrikkelijkste ervaringen uit mijn hele leven.”