Tijdvakken ingericht als filmsets

Openluchtmuseum en Rijksmuseum maken het werk af dat het Nationaal Historisch Museum ooit begon

Na het afblazen van het Nationaal Historisch Museum komt er nu toch een tentoonstelling die de ‘Canon van Nederland’ in beeld brengt. Het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem heeft hiervoor een gebouw leeg geruimd, dat samen met het Rijksmuseum zal worden ingericht. Zomer 2017 gaat de tentoonstelling open. Zo geven de twee musea samen uitvoering aan de opdracht die ze van het ministerie van OCW hebben gekregen om toch nog iets te doen met het oude plan.

Dat plan, in 2006 ontstaan in de Tweede Kamer, was om een museum op te richten waar een overzicht van de Nederlandse geschiedenis zou worden getoond, ook voor mensen die niet vaak in het museum komen. De in 2006 vastgestelde canon moest leidraad zijn, maar de directeuren van het Nationaal Historisch Museum wilden een andere indeling. Ook was er discussie over waar het museum moest komen. Toen de knoop was doorgehakt en het nieuwe Openluchtmuseum zou komen, werd dit in 2010 alsnog afgeblazen, omdat het kabinet ging bezuinigen.

Het Openluchtmuseum en het Rijksmuseum hebben de plannen die ze erfden van het Nationaal Historisch Museum niet gebruikt. „We zijn weer teruggegaan naar de canon en hebben van daaruit een tentoonstellingsconcept ontwikkeld”, zegt Willem Bijleveld, directeur van het Openluchtmuseum. Hij probeert een beeld te schetsen van wat er straks te zien zal zijn: „Je loopt eerst door een ondergrondse tunnel van heden naar verleden, tot je aankomt in de prehistorie”, vertelt hij. „Uiteindelijk beland je in een kathedraalachtige zaal. Als je in het midden staat zie je rondom de tien tijdvakken van De Rooij waarin de canon is ingedeeld. Dat zijn een soort mini-exposities, waarin we telkens canonvensters laten zien. De Gouden Eeuw bijvoorbeeld verbeelden we met de drukkerij van Blaeu. Daar zie je de Atlas Maior die Blaeu in 1662 uitgaf, en daar pakken we ook nog twee andere canonvensters mee, de VOC en Michiel de Ruyter.”

Romeinen brachten de kip mee

Bij elk tijdvak wordt ook een dier geïntroduceerd. „Bij Jagers en Boeren is dat de hond”, zegt Bijleveld, „die werd in die tijd gedomesticeerd. En bij Grieken en Romeinen de kip, want die namen de Romeinen naar deze streken mee.”

De meeste objecten komen uit het Rijksmuseum Amsterdam, maar ook het Rijksmuseum van Oudheden heeft bruiklenen gegeven. Bijleveld: „Daar lenen we bijvoorbeeld een wastablet uit de Karolingische tijd, een soort leitje met een schrijfstift. Naast die vitrine komt een interactieve opstelling waar je zelf de Karolingische minuskel kunt leren schrijven, het handschrift uit de tijd van Karel de Grote.” Zo wordt de geschiedenis op een persoonlijke manier belicht, met aandacht voor het dagelijks leven. En wordt de bezoeker uitgenodigd zelf iets te doen. Bij een kist met zilver uit het wrak van een VOC-schip kun je schatgraven of virtueel duiken.

Ook Martine Gosselink, hoofd geschiedenis van het Rijksmuseum, ziet het al helemaal voor zich. „De tien tijdvakken van De Rooij worden ingericht als een soort filmsets”, vertelt ze. „Je bevindt je ineens in een huis, een dorpje, aan een oever of kade of in een landschap. Op zo’n filmset proberen we een samenhangend verhaal te laten zien. Bij Ontdekkers en Hervormers, de periode van 1450 tot 1600, laten we bijvoorbeeld zien hoe de Tachtigjarige Oorlog met Spanje zich ontwikkelde. Daar tonen we dan het schilderij De uitdeling van haring en wittebrood na de opheffing van het beleg van Leiden van Otto van Veen en een lakzegel van de Spaanse koning Filips II.”

Stonden die spullen toch maar in het depot van het Rijksmuseum te verstoffen? „Nee hoor”, zegt Gosselink. „Het zijn echte topstukken. Er zitten ook publiekslievelingen bij, zoals Het Melkkoetje, een 17de-eeuws satirisch schilderij van een anonieme maker waarop het uitbuiten van de Nederlanden door de prins van Oranje wordt verbeeld.”

Hij stond stiekem te tekenen

Ook de ‘rafelranden’ van de Nederlandse geschiedenis zullen worden belicht. „Een van mijn favorieten is een tekening van Mohammad Toha, een jongetje uit Jogyakarta, dat tekeningen maakte van het binnenvallen van de Nederlandse troepen in Indonesië in 1948 en 1949”, zegt Gosselink. „Hij deed of hij sigaretten verkocht maar hij stond stiekem te tekenen.”

Er is nog een tweede zaal waar animaties worden vertoond van de veranderingen in het Nederlandse landschap en de landsgrenzen. „Daar kun je als bezoeker even tot rust komen na al die indrukken”, zegt Bijleveld. Aan het eind van de tentoonstelling is een derde zaal waar alle vijftig canonvensters op een interactief scherm van 18 meter lang te zien zijn.

Wie niet wil wachten tot volgend jaar, kan op het buitenterrein van het Openluchtmuseum een voorproefje krijgen. In een aantal historische gebouwen zijn al canonpresentaties te zien. Zo is in het Groene Kruisgebouw een presentatie over Willem Drees, de grondlegger van de verzorgingsstaat, en het vakantiehuisje dat is ontworpen door Gerrit Rietveld belicht het canonvenster De Stijl.