‘Taal is het machtigste wapen ter wereld’

(43), de schrijver van HhhH, drijft in zijn nieuwe roman de spot met de grote Franse filosofen. ‘Foucault masturbeerde voor een poster van Mick Jagger.’

Foto Roger Cremers

M

et Laurent Binet komt een wervelwind van tomeloze energie café Jaures binnen, een café bistro in het 19de arrondissement van Parijs. Hij vliegt eerst uit zijn kleine knalblauwe auto, rukt zijn muts van zijn hoofd en bestelt een cola. Een speelfilm van zijn bestseller HhhH, een VPRO-documentaire over diezelfde roman, de promotie voor zijn nieuwe roman die dezer dagen ook in Nederland in vertaling verschijnt, én een baby van vijf maanden.

Ja, zegt hij, dat is veel. Kun je af en toe een blik werpen op mijn auto? Hier voor de deur mag je eigenlijk niet parkeren. Zijn nieuwe roman, De zevende functie van taal, is volstrekt anders dan HhhH, zijn boek over de aanslag van het Tsjechische verzet op de SS’er Heydrich. Het nieuwe boek neemt de dood van de Franse filosoof Roland Barthes als uitgangspunt; hij werd op 25 februari 1980 door een vrachtwagen aangereden en stierf aan de gevolgen daarvan. Binet bouwt zijn plot rond de veronderstelling dat dit geen ongeluk was maar moord: Barthes kwam net van een lunch met François Mitterrand – verdacht! Wat volgt is een literaire James Bond en tegelijkertijd een hilarisch portret van de grote Franse intellectuelen uit die tijd. Michel Foucault, Philippe Sollers, Julia Kristeva, Jacques Derrida, Hélène Cixous en Louis Althusser komen aan het woord, maar ook Umberto Eco, Noam Chomsky, John Searl en Camille Paglia.

Zijn portret van de Fransen is genadeloos: als exponenten van mei ’68 hangen ze aan elkaar van seksuele aberraties, trouweloosheid en een extreem verlangen naar persoonlijke vrijheid. Het boek is satire, spot, pastiche, polar en hoogliterair spel ineen. Er is een verborgen manuscript, Bulgaarse geheim agenten moorden met een giftige paraplu, er wordt gevochten, gelogen, betoogd, gegokt en verloren. Binet roept een detective in het leven, Jacques Bayard (een naamgenoot van de ludieke auteur van Hoe te schrijven over boeken die je niet hebt gelezen). Zijn taalkundig assistent, Simon, een jonge docent aan de beruchte linkse universiteit van Vincennes, toont hem de wereld van de semiotiek.

Wat betekende Roland Barthes voor u?

„Barthes is de grootste Franse criticus van de 20ste eeuw. Hij behoorde tot de French Theory, zoals de Amerikanen zeggen, de grote Franse filosofen. Barthes was, net als Eco, een semioticus. Ze lazen de wereld als een boek, ontcijferden de wereld die bestaat uit tekens en codes. Ik ben docent Frans, Barthes leerde me wat tekstinterpretatie is, hij bracht me mijn vak bij. Hij leerde me dat een boek geen ding op zichzelf is, maar dat je als je een boek leest er zelf iets aan toe kunt voegen. Sherlock Holmes was een semioticus avant la lettre, hij kon iemand decoderen door een heleboel tekens te interpreteren.”

Simon, de jonge semioticus uit uw boek, verschaft Bayard, de detective, het taalkundige gereedschap om de ‘moord’ op te lossen. Het lijkt wel of u het nut van taal- en letterkunde wilt illustreren.

„Simon doceert aan Vincennes, de legendarische, linkse hippiefaculteit, het Woodstock van de Franse universiteit. Vaak worden universitaire docenten weggezet als boekenwurmen. Onzin. Wat je leert als student in de geesteswetenschappen kan wel degelijk toegepast worden, je interpreteert de wereld, je wordt een heuse speurder. Het klopt dat de geesteswetenschappen overal in het verdomhoekje zitten, ik wilde ze nu eens promoten, laten zien wat ze kunnen, in de geest van Umberto Eco.”

We spreken verder over de miljarden die worden besteed aan het onderzoeken van een minuscuul deeltje dat al dan niet sneller gaat dan het licht. Tegelijkertijd verdwijnen overal in Europa vakgroepen taal- en letterkunde. Binet wil de discussie niet op scherp zetten: „Pasteur zal altijd belangrijker zijn dan Victor Hugo. Mensen genezen is belangrijk, maar de wereld begrijpen is ook van enorme waarde. Dat maakt dat we geen dieren zijn. De taal is voor mij het machtigste wapen ter wereld, taal geeft absolute macht. Wie de taal beheerst is de meester van het heelal. Dat is de kern van De zevende functie van taal.”

Grote filosofen en taalkundigen uit de jaren tachtig zet u te kijk, u bespot ze.

„Ja, ik maak me vrolijk over hen als persoon, maar ik neem hun denken wel serieus. De taalkundige Roman Jakobson heeft zes functies van taal gedefinieerd, de zevende functie bestaat niet, die heb ik verzonnen. Ik stel me voor dat hij een zevende heeft gevonden, die zo gevaarlijk is voor de wereld, dat hij hem verborgen houdt. Het idee dat er ergens een middel bestaat waarmee je iedereen kunt overtuigen is natuurlijk heel verleidelijk. Over die performatieve functie van taal hebben Amerikaanse filosofen geschreven. Het voorbeeld bij uitstek zijn de woorden ‘ik verklaar u tot man en vrouw’, dan wordt het woord daad. Dat is de opperste macht van de taal, ik zeg iets en het gebeurt. Ook de vragen die Foucault stelt over het lichaam, over macht vind ik erg interessant. Alle studenten geesteswetenschappen in de Verenigde Staten lezen Foucault en Derrida, het zijn er sterren. De anekdotes die ik over hen vertel zijn voor negentig procent waar: Foucault masturbeerde in zijn kamer op Cornell voor een poster van Mick Jagger, ik heb iemand gesproken die dat heeft gezien. Hun gedachtegoed is interessant en hun leven leent zich ook nog eens voor geweldige verhalen. Zoals altijd overtreft de werkelijkheid de fictie.”

Zowel in ‘HhhH’ als in dit boek onderzoekt u het verband tussen fictie en werkelijkheid, alleen op een andere manier.

HhhH ging over het obsessief najagen van de historische waarheid. De zevende functie speelt met de realiteit. Op een gegeven moment laat ik mensen sterven die in het echt op dat moment nog helemaal niet dood waren. Ik verander de geschiedenis, ik laat bijvoorbeeld de tennisfinale tussen Björn Borg en Ivan Lendl in 1981 anders aflopen. Dat is mijn manier om de lezer te prikkelen. In HhhH was ik zelf aanweziger. Nu laat ik de vragen stellen door een personage, Simon. Hij begint zich steeds meer af te vragen of hij niet paranoia is, of hij zich niet in een roman bevindt. Dat is al een oud concept, denk aan La vie est un songe van Pedro Calderón de la Barca, uit de 17de eeuw.”

U laat een van uw (historische) personages zeggen dat het culturele genie van Frankrijk zich in de jaren zestig heeft uitgedrukt in het spreken over taal, in ‘le discours sur le discours. Le discours EN MARGE’. Over de marginale taal.

„Ja, dat klopt. Ik sta in die traditie, ik houd van de metaroman, van de roman over de roman. Ik houd van het discours over het discours. Daarom bewonder ik Roland Barthes zo enorm. Hij deed dat, en ik doe dat ook – op mijn manier.”

Tegelijkertijd zet u de Franse intelligentsia van nu weg als seksueel geobsedeerde zwatelaars. U laat ze in een gesloten sekte retorisch met elkaar in debat gaan, waarbij de verliezer een vinger wordt afgehakt. Philippe Sollers verliest zelfs zijn ballen. Hoe werd er in die kringen op uw boek gereageerd?

„Sollers vindt het een fascistisch boek, zijn vrienden vinden het misogyn, homofoob, poujadistisch. Ik heb vijanden gemaakt. Wat me choqueerde is dat men het boek beschouwde als een aanval op de intellectuelen. Met andere woorden, Sollers staat gelijk aan alle Franse intellectuelen.”

Buiten Frankrijk beschouwt men de Franse intellectueel vaak als een pessimistische, rokende denker die over zichzelf spreekt en voor de zoveelste keer de teloorgang van Frankrijk voorspelt.

„Zoals iedere karikatuur is dat een beetje magertjes. Inderdaad heeft niemand in dat milieu iets op met bescheidenheid. Zelf ben ik, zoals alle Franse schrijvers, knap megalomaan. Maar mensen als Barthes en Foucault hadden echt iets te zeggen, wat je van Sollers niet kunt beweren. De huidige denkers, Michel Onfray en Eric Zemmour bijvoorbeeld, zijn reactionair. De bekendste filosofen, die het meest door de media worden gekoesterd, zijn niet per definitie de interessantste. Ik voel me een beetje de oude zak die nostalgisch naar het verleden kijkt.”

Waar bevindt u zich, als intellectueel?

„Ik heb niet de pretentie een intellectueel te zijn. Ja, ik heb natuurlijk wel een verantwoordelijkheid. Als ik in het openbaar spreek probeer ik niet al te veel domme dingen te zeggen. Ik probeer me bij mijn leest te houden. Maar dat is moeilijk. Alleen deze maand al heb ik drie opiniestukken geschreven, één over Umberto Eco, één over David Bowie en één over Novak Djokovic. Ik moet uitkijken dat ik niet word wat ik bekritiseer, iemand die overal een mening over heeft. Maar,” – Binet grijnst stralend en apetrots – „het heeft me wel wat opgeleverd: voor L’équipe ga ik Roland Garros verslaan, ik mag alle wedstrijden bijwonen én achter de schermen kijken, le rêve!”

„Zo. Ben je tevreden?” Hij zet zijn weer muts op, trekt zijn jas aan, werpt een blik op zijn auto. Gelukkig, geen bekeuring, zegt hij. „En nu ga ik naar mijn kind.”