Sterven kan men zich niet veroorloven

Net als in zijn vorige romans klaagt deze Chinese schrijver de morele ontwrichting en hypocrisie in de samenleving aan. Nu op boeddhistische wijze, als een dode man nogmaals zijn leven doorloopt.

Foto iStock

De nieuwe roman van de Chinese schrijver Yu Hua (1960), De zevende dag, heeft een mooi, stemmig begin. Hoofdpersonage Yang Fei, 41 jaar oud, verlaat zijn gehuurde kamertje en gaat door de dichte mist op weg naar het uitvaartcentrum – voor zijn eigen crematie, welteverstaan. Het is de eerste dag van zijn dood, en op een paar misvormingen na ziet hij er ongeveer nog net zo uit als tijdens zijn leven.

Yang bevindt zich in een soort schemergebied, tussen de wereld van de levenden en die van de doden. Hij is dood, maar niet gecremeerd en in een graf geplaatst, waarmee hij zijn rustplaats zou bereiken. Yang zwerft rond, een beetje zoals het populaire boeddhisme het zich voorstelt na de dood, wanneer de overledenen hun leven nogmaals doorlopen, alvorens rust te vinden.

Zelf maakt Yu Hua met zijn structuur van zeven dagen, de titel en het motto van het boek een verwijzing naar het bijbelboek Genesis. We volgen de ik-persoon de eerste zeven dagen na zijn dood, waarbij de laatste dag een soort rustdag vormt, maar meer verband dan dat is er niet met het westerse scheppingsverhaal.

Terwijl Yang zijn dood herconstrueert en zijn leven de revue laat passeren, vormt zich langzamerhand een beeld van zijn bestaan en de maatschappij waarin hij leefde. Het begin is absurd: wanneer zijn moeder, hoogzwanger van hem, in een trein naar het toilet gaat, is voor ze het weet haar baby geboren en door het (in die tijd grote) gat van het toilet verdwenen. Op de rails wordt hij gevonden door een jonge wisselwachter, die hem liefdevol opvoedt. En er ontwikkelt zich een hechte band tussen vader en zoon, die elkaar zonder veel woorden begrijpen.

Het boek begint prettig humoristisch. Het uitvaartcentrum, waar iedereen heengaat voor zijn crematie, blijkt niet zo heel veel te verschillen van de wereld van de levenden. Er bestaan mobiele telefoontjes, VIP-plaatsen, plastische chirurgie, en ‘als je gecremeerd wilt worden, moet je een beetje opschieten’.

Er heerst ook eenzelfde hiërarchie; wie macht en rijkdom heeft, heeft heel wat streepjes voor en ‘geconfronteerd met de macht, moest het geld zijn eigen minderwaardigheid erkennen.’ Dus krijgt de burgemeester van een grote stad voorrang voor zijn crematie, en mogen de rijkere op luxe stoelen wachten op hun beurt, terwijl de armen op plastic stoeltjes moeten plaatsnemen. Een van de rijke overledenen legt uit dat hij heeft gekozen voor een biologische grafsteen, omdat iedereen ‘zo veel belang hechtte aan biologische voedsel.’

Morele ontwrichting

Gaandeweg verdwijnt de humor helaas een beetje en wordt duidelijk dat Yu Hua dezelfde thema’s aansnijdt als in zijn vorige romans Leven, De bloedverkoper en Broers. De morele ontwrichting en hardheid van de maatschappij en de hypocrisie van de mensen worden uitgebreid verbeeld, in tragische verhalen die we allemaal kennen uit kranten en documentaires. Geaborteerde baby’s worden als medisch afval in een rivier gedeponeerd, een man krijgt de doodstraf voor het doden van zijn geesteszieke vrouw (die later niet dood blijkt), een meisje aan de onderkant van de maatschappij pleegt zelfmoord omdat haar vriendje haar een valse iPhone heeft gegeven, haar vriendje sterft door het verkopen van zijn nier, een echtpaar sterft doordat ze niet uit hun oude appartementencomplex willen dat de staat laat afbreken, en na hun dood moeten de armen constateren: ‘Zelfs doodgaan kunnen we ons niet veroorloven’.

Te midden van al die ellende is het leven van Yang Fei bijna romantisch en voorbeeldig. Zijn pleegvader zorgt voor hem met een ongekende liefde en opofferingsgezindheid, bijgestaan door een bevriend echtpaar dat dezelfde waarden is toegedaan. Het zijn ook de waarden die het zwervende bestaan na de dood kenmerken; zoals Yu Hua het beschrijft, is het haast de ideale maatschappij. Al zijn de doden wat emotieloos, toch zijn de mensen er voorkomend en meelevend. En al wordt het graf omschreven als de ideale laatste rustplaats, de plaats van de doden zonder graf lijkt een beetje op het paradijs: ‘Daar wuiven de boombladeren naar je, de rotsen glimlachen naar je, en het water van de rivier begroet je. Daar zijn geen armen of rijken, er is geen verdriet of pijn, geen wrok of haat… Daar zijn alle mensen gelijk in de dood.’

Daarmee lijkt de roman een pleidooi voor meer menselijkheid, liefde, affectie en medeleven in een maatschappij waar rijkdom, status en macht de boventoon voeren. Die mooie boodschap heeft een aangename roman opgeleverd, die tegelijkertijd een beetje te braaf is.