Niet de longen, maar de hele patiënt

Bij haar eerste sollicitaties kreeg Postma nog te horen: ‘Vindt uw man het goed dat u solliciteert?’ Nu gaat ze met pensioen als vaak bekroonde hoogleraar.

Dirkje Postma: „Dat we vermoeidheid gaan onderzoeken is een gevolg van het meepraten van longpatiënten.” Foto Kees van de Veen

De meest gelauwerde hoogleraar van het UMC Groningen is met pensioen. Het is een vrouw, longarts Dirkje Postma. Beroemd om haar onderzoek naar het mechanisme van astma en de longziekte COPD. Aanjager van de speurtocht naar genen voor astma en andere longziekten. De afgelopen drie jaar coördineerde Postma, samen met AMC-hoogleraar Peter Sterk, het Nationaal Programma Longonderzoek, dat de Nederlandse longonderzoekers meer laat samenwerken. Niet alleen onderzoekers en subsidiegevers zeiden welke kant het onderzoek op moet, maar ook patiënten.

„Ach jee. Gaan we het dáár over hebben?” De vraag was hoe het vroeger was, en hoe het nu is, voor een vrouw in de geneeskunde en het medisch onderzoek.

„Ik kan niet zeggen dat mannen en vrouwen nú gelijk worden behandeld, maar het is anders dan vroeger. Ik heb bijvoorbeeld een aantal keren gesolliciteerd op een opleidingsplaats tot longarts en kreeg dan te horen: ‘Ja, maar u bent getrouwd.’ Zelfs: ‘Vindt uw man het wel goed dat u solliciteert?’ Terwijl ik al onderzoek had gedaan, wat in die tijd bijzonder was. Het lukte uiteindelijk, maar toen ik daarna naar een stafplaats solliciteerde ging het weer net zo en werd ik eerst afgewezen.”

Dat was in de jaren zeventig?

„Nee, al een flink eind in de jaren tachtig. Mijn baas heeft me toen enorm geholpen, zodat ik door kon met mijn onderzoek. En de volgende staffunctie was voor mij. Als ik wegga zijn er 3 vrouwen op 21 posities.”

Niet bijster veel.

„Dat dacht ik. Kijk, het schuift langzaam op. Meer dan de helft van de studenten is vrouw. De helft van de promovendi is vrouw, maar in de praktijk zie je toch dat het gedachtengoed van mannen nog vaak anders is dan van vrouwen.”

Hoe dan?

„Ik merk aan vrouwen dat ze eerder denken ‘laat ook maar even’.”

In het grijpen van carrièrekansen?

„Ja. Ik besteed er bij mijn vrouwelijke promovendi veel meer tijd aan. Ik vraag ze al snel: waar wil je over vijf jaar uitkomen? Als je dan met je onderzoek dáár wil zijn moet je er nu mee beginnen. Je moet voorwerk doen, zodat je over een jaar iets hebt. Dan kun je subsidie aanvragen en als je die hebt kun je door.”

Mannen doen dat beter?

„Die zijn meer met hun carrière bezig. Als ik met mijn vrouwelijke promovendi de toekomst besprak, kwam vooral vroeger ‘Mijn man gaat voor’ naar boven. En hoe je het ook wendt of keert: ook nu is kinderen krijgen voor vrouwen ingrijpender. Zij hebben de zwangerschap. Zij zien wat er fout kan gaan.”

Kreeg u zelf kinderen?

„Ja, en ik ben gewoon doorgegaan.”

In 2000 kreeg u de Spinozapremie. Toen drie miljoen gulden. Was dat belangrijk?

„Dat heeft mijn leven echt veranderd. Ik was een vrouw die het gewoon vond wat ze deed. Toen kwam er opeens dat oordeel. Of je het nou wilt of niet, de mensen om je heen zien je daarna toch anders. Er gaan deuren open die anders dicht blijven. En je krijgt onderzoeksgeld dat je uit kan geven aan wat jij belangrijk vindt: een verademing!”

Wat vond u belangrijk?

„We konden met onderzoek bij muizen aantonen dat roken tijdens de zwangerschap kinderen oplevert met anders gevormde longen. Die longveranderingen ontstaan niet door de astma, maar dragen bij aan ontwikkeling van astma bij kinderen van rokende moeders. Dat heeft een enorme stroom aan verdere kennis gegenereerd. Voor zulke nieuwe dingen krijg je moeilijk subsidie.”

Maar nu gaat u echt met pensioen?

„Ja echt. Ik hou een nulaanstelling – meer om mijn e-mailadres te kunnen houden. Twee jaar, dan stopt het. Dat was mijn keus en daar voel ik me goed bij. Ik denk dat ik nog een derde van mijn leven voor me heb en misschien op andere manieren nog veel kan bijdragen.

„Mijn promovendi die dit jaar nog promoveren hou ik. De anderen heb ik overgedragen, omdat ik vind dat ik ze daarna niet meer optimaal kan begeleiden.”

Waarom niet? De meeste hoogleraren houden graag vast aan hun recht om tot hun 70ste promotor te zijn.

„Ik heb ontzettend veel plezier beleefd aan mijn 85 promovendi. In mijn visie heb je in een promotietraject met de wetenschapper en de mens te maken. Als promotor moet je proberen die allebei verder te ontwikkelen. Normaal gesproken zit ik als eerste promotor iedere week met de promovendus om de tafel. We hebben hier elke week researchbesprekingen van de jonge onderzoekers uit alle disciplines en tweewekelijks onderzoekslezingen. Maar als je hier niet meer werkt dan kun je onderzoek niet meer op dat niveau doen. En een lager niveau: daar heb ik geen zin in.”

U bent coördinator van de club die het onderzoek naar longziekten bundelde en richting gaf. Is dat uw erfenis?

„Welnee! Daar waren we al lang mee bezig. Te lang. Maar nu komt er nieuw elan in het Nederlandse longonderzoek. Het swingt meer dan ooit. Later deze maand presenteren we vijf speerpunten voor het onderzoek. Eén ervan is bijzonder: vermoeidheid. Dat is een direct gevolg van het meepraten van patiënten, onder begeleiding van het Longfonds. We hadden het als longonderzoekers niet verwacht. ”

Nooit? Hebben de patiënten het er in de spreekkamer niet over?

„Nee. En ik vroeg er tijdens mijn spreekuur ook niet naar. Ik vroeg of het piepen meer of minder was dan vorige keer. Of het hoesten. Maar in alle discussierondes kwam het er heel duidelijk uit. Je ziet opeens dat er heel weinig informatie over de hele patiënt wordt verzameld. We moeten toch meer het besef krijgen dat alles in het lichaam op een of andere manier met elkaar te maken heeft.”