Het gebeurt niet echt, maar de angst blijft

In verhalen die zowel griezelig, alledaags als gothic kunnen zijn, vertoont Koeleman een grote stilistische beheerstheid. Eerst krabt hij de beschaving weg en toont hij de gekte, om die vervolgens te beteugelen.

Bertram Koeleman Foto Hollandse Hoogte

Echte, onverdraaglijke angst komt niet voort uit onwetendheid, maar uit het besef van niet-weten, van onverklaarbaarheid, van chaos. Kijk maar naar gemeenteambtenaar Hans Haverkort, de hoofdpersoon van het programmatische openingsverhaal van Engels voor leugens. Tot hem dringt het besef door dat hij de aanstichter is van een domino van dood en verderf. Alles wat hij doet leidt tot andermans dood.

Waarom? Onverklaarbaar. Maar het leidt, wanneer hij bij zijn loket geniest heeft, wel tot deze observatie: ‘Ik zie het virus glimmen op het vel papier dat ik haar overhandig, zie het dansen tussen de letters en overspringen op haar hand op het moment dat ze het opvouwt en in haar tas stopt.’ Dat staat er netjes en secuur, maar is natuurlijk geworteld in waanzin. Net als het ‘besef’ van Haverkort – naar analogie van de vlinder uit de chaostheorie die met zijn vleugelslag een tornado veroorzaakt – dat hij ‘de vlinder’ is.

Engels voor leugens is de eerste verhalenbundel van Bertram Koeleman (1979), die eerder de unheimische debuutroman De huisvriend (2011) schreef. Behalve dat in elk verhaal een unheimisch gevoel schuilt, wil deze bundel als geheel ook een idee uitdragen. Het idee dat het dunne laagje beschaving van de mens zó weggekrabd kan worden door iets eigenaardigs – waarna de chaos vrijkomt. En die is weer te beteugelen door woede, pijn en geweld. Zo schrijft hij over een groepje studenten dat verzuipt in betekenisloosheid, en daarom ’s nachts in clubs onderling op de vuist gaat, om omstanders te schokken en daar bloederige YouTube-filmpjes van te maken. Want pijn is helder en geweld rechtlijnig. Het is het tegendeel van chaos.

Zo’n samenvatting doet de verhalen van Koeleman hoogdravender voorkomen dan ze zijn. Stilistisch een toonbeeld van beheerstheid, nemen ze juist alledaagsheid als uitgangspunt, met personages als een ambtenaar, jonge ouders, een brandweerman. Maar ook zijn het veelal typische griezelverhalen, met grote rollen voor bezeten katten, waanzinnige kinderen en blikseminslagen. Paardenmiddelen uit de gothic trukendoos, die zó veelvuldig zijn ingezet dat het geen toeval kan zijn. Ze moeten benadrukken dat hier een schrijver aan het werk is, een verzinner, die de werkelijkheid naar zijn hand zet en zo – opnieuw – duidelijkheid schept.

Zo móet je het gebruik van die clichés wel uitleggen, want verschillende verhalen gaan nadrukkelijk over de handeling van het schrijven. Nota bene het derde verhaal in de bundel, als we er net inkomen, gaat over een schrijver in wie je de Haarlemse boekhandelaar Koeleman herkent. Hij heeft een verwarrende ontmoeting met een aspirant-schrijfster, Lies (inderdaad, Engels voor ‘leugens’), met wie hij praat over de totstandkoming van een verhaal. Eerst gaat dat bij hem roekeloos, doceert hij, ‘zonder rem, zonder censuur, en uiteindelijk zal het zijn vorm vinden. Daarna pas mag je gaan nadenken.’

Dat verhaal zegt heel veel over hoe Koeleman zijn verhalen construeert en wat hij beoogt: eerst de beschaving wegkrabben en de gekte tonen, dan hem beteugelen.

Dat gebeurt heel letterlijk in het verhaal dat begint met een eindeloze opsomming van mensentypes aan wie de verteller een hekel heeft. Dat worden er zó veel dat zijn ergernis pathologisch wordt: deze man ontspoort. Hij blijkt net zijn vrouw te hebben verloren, in de kracht van haar leven, en nu weer aan het werk te gaan. Bij de kleinste opmerking van een collega flipt hij, brengt die collega op gruwelijke wijze om het leven, waarna hij ons toevertrouwt: ‘Dat is niet echt zo gebeurd.’

Verzonnen dus, een gedachtenkronkel. Het bizarre, ietwat onverklaarbare en bijna onverdraaglijk goede van deze bundel is dat het besef dat het geconstrueerd is, het niet minder eng maakt. Onder de woorden huist nog steeds de gekte – en dat voel je, of denk je te voelen. Weten dat er met je gespeeld wordt en er desondanks unheimisch van worden: dat dwingt bewondering af. In een variatie op de beginzin van het slotverhaal: ik hoop dat de angst uw zintuigen zal overweldigen.