Gezuiverd van nazi-reputatie

Frederik II de Grote De Britse historicus Tim Blanning schreef een wervelende biografie van de grote Pruisenkoning. Van diens reputatie als voorman van Hitler blijft niets overeind.

Kort na de nationaal-socialistische machtovername op 30 januari 1933 werd in Duitsland op grote schaal een ansichtkaart verspreid met de portretten van Frederik de Grote, Otto von Bismarck, Paul von Hindenburg en Adolf Hitler. Het onderschrift luidde: ‘Wat de koning veroverde, de vorst vormde, de veldmaarschalk verdedigde, redde en verenigde de soldaat.’ De boodschap was duidelijk: de nieuwe Rijkskanselier, die al spoedig als Führer de onbetwiste heerser van het Derde Rijk zou worden, stond in een glorieuze traditie, die was begonnen met de 18de-eeuwse koning van Pruisen.

Hoewel de nazipropaganda na 1945 niet serieus meer werd genomen, is juist deze visie op de Duitse geschiedenis door veel historici opgepikt en deel gaan uitmaken van het collectieve geheugen. En daar is wel iets voor te zeggen. Door de veroveringspolitiek van Frederik de Grote (1712-1786) was Pruisen een Europese grootmacht geworden. Frederik heerste tevens als een autocratische vorst die zijn land op militaristische leest schoeide en van de Pruisische adel een loyale, gedisciplineerde officierskaste maakte die op grote afstand van de burgerbevolking stond.

Nadat Bismarck deze ingrediënten had gebruikt om de Duitse eenheid te smeden, moest deze curieuze ontwikkeling volgens velen wel uitmonden in Hitler. Los van het feit dat deze benadering te mechanistisch is en voorbijgaat aan de keuzes die Duitsers vanaf de 18de eeuw wel of niet maakten, is het toch oneerlijk een ‘rechte lijn’ te trekken tussen de dichtende, met Voltaire corresponderende, fluit spelende Frederik II en Auschwitz.

Harteloos

In de magistrale nieuwe biografie van historicus Tim Blanning (1942) worden de negatieve kanten van Frederik niet onder het tapijt geveegd. Binnen een half jaar nadat hij in 1740 koning was geworden viel hij Silezië binnen en toen hij zestien jaar later buurland Saksen binnentrok lokte hij de Zevenjarige Oorlog uit, waarin hij het opnam tegen de drie grootste mogendheden op het Europese vasteland: Oostenrijk, Frankrijk en Rusland.

Drie maanden voor zijn invasie van het welvarende Silezië – dat geen enkele bedreiging voor Pruisen vormde en waarop Frederik geen legitieme aanspraak kon maken – verscheen in Den Haag het boek dat hij nog als kroonprins had geschreven, de Anti-Machiavel. Hierin verklaarde hij dat ‘vorsten die onrechtvaardige oorlogen voeren wreder en hartelozer zijn dan welke tiran ook’. De jonge vorst die zo hoog opgaf van de idealen van de Verlichting en hartstochtelijk Machiavelli’s cynisme had bestreden, bleek in de praktijk machiavellistischer dan wie ook.

Frederik II de Grote vermeed oorlogen zoveel mogelijk en week daarin af van Hitler

De kroonprins die aan Voltaire schreef dat tirannen ‘de dingen gewoonlijk te veel van één kant’ bekijken, en dankzij die verwrongen blik op de werkelijkheid dikwijls verkeerde beslissingen nemen, veranderde al snel in een koning die nog autocratischer was dan zijn uiterst autoritaire vader. Een Franse diplomaat merkte al in 1740 op dat ‘de generaals van zijn leger nooit iets meer zullen zijn dan zijn adjudanten; de ministers nooit meer dan zijn klerken […] de Duitse vorsten nooit meer dan zijn slaven’.

Frederiks minder aangename kanten zijn vaak toegeschreven aan zijn akelige jeugd, met een vader die alleen geïnteresseerd was in jacht en krijgsbedrijf, en die de muzikale, cultuurhongerige en in zijn ogen ‘verwijfde’ prins honds behandelde. Toen de 16-jarige Frederik een poging deed naar het buitenland te vluchten liet de koning zijn metgezel (en vermoedelijke minnaar) luitenant Hans von Katte voor zijn ogen onthoofden.

Blanning, die geen doekjes om Frederiks homoseksualiteit windt, laat zien dat de jonge koning op tweeërlei wijze reageerde op het voorbeeld van zijn vader. Aan de ene kant maakte hij cultuur tot speerpunt van beleid: hij liet paleizen bouwen, gaf componisten en schilders opdrachten en probeerde het Franse hof in verfijning te overtreffen. Ook moderniseerde hij zijn koninkrijk, organiseerde een uiterst efficiënt ambtenarenapparaat, voerde de vrijheid van godsdienst in en maakte van Pruisen tot op zekere hoogte een rechtsstaat.

Tegelijkertijd probeerde hij zijn vader te overtreffen op het terrein dat voor hem het belangrijkst was. Terwijl Frederik Willem I van Pruisen één kazerne had willen maken en een groot leger opbouwde, voerde hij een behoedzame buitenlandse politiek en vermeed hij oorlogen zoveel mogelijk. Frederik II verwierf zijn bijnaam De Grote niet alleen door die paleizen, maar vooral omdat hij een actief en agressief veldheer was, die in dat opzicht de grondlegger was van een Pruisische traditie die een slechte naam kreeg.

Salomo van het Noorden

Het beeld dat uit deze biografie oprijst is dus heel divers, en het is Blannings grote verdienste dat hij nergens doorschiet in eenzijdigheid. Terwijl hij laat zien dat Frederiks bemoeienis met het muziekleven leidde tot geestdodend conformisme en hij een Engelse gezant citeert die verklaart dat Pruisen ‘één enorme gevangenis is’, schetst hij ook het beeld van een vorst die zijn best deed om van zijn koninkrijk een modern, goed georganiseerd en verlicht land te maken. Dat hij daar tot op grote hoogte in slaagde, bleek uit het feit dat in de 18de eeuw veel mensen naar Pruisen emigreerden en dat niet-Pruisen als de latere hervormer Karl von Stein, militairen als Blücher en filosofen als Hegel deze staat graag wilden dienen. Dat Voltaire overdreef toen hij de jonge Frederik omschreef als ‘de Salomo van het Noorden’, de ‘lieveling van heel het mensdom’, ‘groter dan Socrates’, zal duidelijk zijn. Maar Blannings boek toont ook dat die nazikaart uit 1933 een onrechtvaardige simplificatie was.