Gelukkig zonder woorden

De buschauffeur heeft een zwarte zonnebril op zijn neus. Bij elke halte leunt hij over zijn stuur en mompelt hij een groet vanonder zijn grijze snor. Hij wacht tot iedereen zit voor hij optrekt. Behendig laveert hij over de vele rotondes van Ommoord, steekt zijn hand uit naar een passerende collega. We wiebelen wat op onze stoelen als hij ons door de smalle straten van Terbregge loodst. Het lijken haast vakantiehuisjes aan het water, sommigen compleet met een eigen steiger en houten roeibootje. Op een grasveld zit een groep meeuwen in de zon. Er loopt een opa met op zijn buik een baby in een draagdoek. Het centrum is ver weg.

De lente hangt in de lucht. Achter me snuit iemand luidruchtig zijn neus leeg. Ik leun naar voren. We rijden over de Prinses Irenebrug Hillegersberg in. Daar stapt een dame in met een grijze knot. Ze heeft een sjieke, kleurige sjaal om haar schouders geslagen, een heuse freule in de bus. Ze wordt nagekeken door een man in een rode broek.

Hoe dichter we bij het Melanchthon Schiebroek komen, hoe groter de groepen scholieren worden. Ze slingeren op hun fietsen, met gigantische rugtassen, te groot voor de snelbinder. Sommigen zonder jas, kwebbelend. Voor hen zit de dag erop.

Tegen de tijd dat bus 35 stopt bij de Melanchthonweg heb ik mezelf er half en half van overtuigd dat de lente echt is begonnen. Maar dan sta ik alleen onder het ‘Alleen uitstappen’-bord en kruipt de wind onder mijn jas. Ik ga onder het viaduct van de metro staan, waar in koeienletters de naam van de halte op staat: MELANCHTHONWEG. In tegenstelling tot de gelijknamige straat wel goed gespeld; met twee h‘s.

Ik luister naar het tikken van de voetgangerslichten, de brommende motoren van het ongeduldige verkeer, het suizen van de metro boven mijn hoofd. Aan de overkant van de straat staat een jongen, zonnebadend tegen een lantarenpaal, zijn handen in zijn zakken, zijn ogen gesloten. Hij lijkt de wind niet te voelen.

Dan hoor ik een droog kuchje achter me. Ik doe een stap opzij voor een man die zijn vrouw vooruit duwt in haar rolstoel. Zij wijst hem de weg door af en toe haar vinger uit te steken, en hij duwt de rolstoel op haar aanwijzingen die kant op. Volgzaam. Ze lijken gelukkig. Zonder woorden.