‘Functioneringsgesprek’ overleefd

Van der Steur Minister van Veiligheid mag blijven na Kamerdebat over terreurbestrijding. Alleen deel van oppositie steunde motie van wantrouwen.

Minister Ard van der Steur (Veiligheid en Justitie) donderdagmiddag tijdens het Tweede Kamerdebat. Foto Martijn Beekman/ANP

De oppositie eiste nederigheid en zelfreflectie van minister Ard van der Steur (Veiligheid en Justitie, VVD) in het debat donderdag. Hij moest ruiterlijk toegeven welke fouten hij zélf had gemaakt rondom de Brusselse aanslagpleger Ibrahim el-Bakraoui, die al vorig jaar door Turkije naar Nederland was uitgezet, als vermoedelijke Syriëganger.

Vorige week bracht de minister zichzelf in moeilijkheden door op simpele vragen geen antwoord te geven. Nu kreeg het debat het karakter van „een functioneringsgesprek”, zoals ChristenUnie-leider Gert-Jan Segers constateerde. De inhoudelijke aanleiding – terreurbestrijding – was naar de achtergrond verdwenen. En de dreiging van een motie van wantrouwen hing het hele debat in de lucht. Uiteindelijk zegden alleen PVV, SP, GroenLinks en een aantal kleine partijen het vertrouwen in de minister op.

De oppositie moest Van der Steur lang bevragen om hem uiteindelijk tot de gewenste zelfreflectie te laten komen. „Ik heb er onvoldoende bovenop gezeten of afspraken werden uitgevoerd”, zei de minister. Maar zijn toon werd nooit nederig. Van der Steur bleef benadrukken dat Nederland geen fouten heeft gemaakt rondom El-Bakraoui. Wel kan Justitie leren om „proactief, assertief en alert te zijn”.

Geen vrijblijvendheid meer

De kritiek werd het hevigst toen Van der Steur zei dat hij niet weet waar El-Bakraoui gebleven is na zijn onopgemerkte aankomst op Schiphol, in juli vorig jaar.

Een dag na aankomst van El-Bakraoui was de Nederlandse politie daarover geïnformeerd. Toen zijn naam niet in politiesystemen bleek te staan, vond men verdere actie onnodig. „Ik snap dat werkelijk niet”, zei D66-leider Alexander Pechtold. „Dan willen we toch weten waar hij was? Werd hij opgehaald? Stapte hij in een taxi? Is hij gaan pinnen? Dat zijn toch essentiële gegevens?”

Ik heb er onvoldoende bovenop gezeten

Ard van der Steur, minister V&J

Juist hier had Justitie proactiever kunnen zijn, zei Segers. Volgens Van der Steur had Nederland de gangen van de Belg El-Bakraoui enkel kunnen nagaan op verzoek van de Belgische autoriteiten. Maar daar wilde de oppositie niet in meegaan. „Deze minister had toch gewoon een verzoek aan zijn Belgische collega kunnen doen?” zei Jesse Klaver (GroenLinks). Uiteindelijk beloofde de minister te onderzoeken of het mogelijk is voortaan meer te doen, ook zonder verzoek van België.

Coalitiepartij PvdA deed met D66 een nieuw inhoudelijk voorstel. EU-landen moeten verplicht worden tot meer samenwerking. In een terrorismedatabase van politiedienst Europol staan 2.786 namen van vermoedelijke jihadstrijders. Terwijl naar schatting zo’n 5.000 mensen uit de EU zich hebben aangesloten bij jihadistische groeperingen in Syrië en Irak. „De vrijblijvendheid moet voorbij zijn”, zei PvdA-leider Diederik Samsom. Van der Steur zei het voorstel snel te zullen bespreken met zijn EU-collega’s.

Zware post

Op de felle ondervragingen van de oppositie reageerde Van der Steur steeds beleefd. Nadat PVV-leider Geert Wilders de minister bijvoorbeeld beschuldigde een „onbevredigend onzinverhaal” te vertellen, zei de bewindsman: „Ik begrijp de ongerustheid die uit de vraagstelling van de heer Wilders naar voren komt. Hij moet zich echter ook realiseren hoe dit precies zit.”

Op de momenten dat Van der Steur zwaar werd aangevallen, keek premier Rutte, naast hem in het kabinetsvak, zichtbaar ongemakkelijk toe. Soms gaf hij verbale en non-verbale aanwijzigingen. Tegen de Kamer zei de premier vervolgens dat Van der Steur „zijn baan in algemene zin gewoon goed doet” en dat hij met Justitie een „zware post” heeft.

Onnodig gestuntel

De minister is hoe dan ook beschadigd. „Het vertrouwen in Van der Steur heeft wel een deuk opgelopen”, zei Segers na afloop van het debat. „Tegelijk kun je je afvragen of het beter zou zijn als er een ministerswissel plaatsvindt.”

Die afweging maakten ook andere oppositiepartijen. Ze vonden dat Van der Steur in deze zaak onnodig veel gestunteld heeft. Maar een minister wegsturen om onhandigheid – zonder grote fouten – gaat ver. „Deze minister weet dat hij zich nu geen fouten meer kan permitteren”, zei CDA-leider Sybrand Buma na afloop.

In plaats van een motie van wantrouwen, kwamen CDA, D66, ChristenUnie en SGP met een oproep voor meer geld voor justitie en terreurbestrijding. Daarbij is volgens Buma de veiligheid meer gebaat dan – na Opstelten – weer een nieuwe minister.

Nog vóór de zomer is er weer een spannend moment voor Van der Steur. Dan brengt de commissie-Oosting een nieuw rapport uit over de omstreden zoektocht naar het ‘bonnetje’ van de ‘Teevendeal’, waardoor minister Opstelten en staatssecretaris Teeven moesten aftreden.