Eeuwige roem door bouwen op papier

Menigmaal worden architecten niet bekend door hun gebouwen maar door hun boeken. Architectuurboeken vormen een parallel universum met de echt gebouwde architectuur.

De Toren van Babel volgens Athanasius Kircher (1602-1680) in zijn boek over Babylon

Over de Amerikaanse architect Frank Lloyd Wright gaat het verhaal dat elke keer als zijn Europese rivaal Le Corbusier een gebouw had voltooid, hij tegen zijn leerlingen zei: ‘Let op, Corbu heeft weer wat gebouwd. Nou gaat hij er vier boeken over schrijven’.

Wright overdreef, maar niet zwaar. Het oeuvre van Le Corbusier bestaat uit zo’n zeventig gebouwen en zo’n zestig boeken. Als geen ander wist hij dat architecten ook door te schrijven beroemd kunnen worden. Voor hij halverwege de jaren twintig aan het echte bouwen begon, werd hij al als een belangrijk en visionair architect beschouwd wegens zijn artikelen in zijn tijdschrift L’ Esprit Nouveau die werden gebundeld in Vers une architecture uit 1923.

Opmerkelijk genoeg staat Vers une architecture niet in het rijk geïllustreerde Denken in steen, bouwen op papier. Een kleine geschiedenis van het architectuurboek. Blijkbaar ontbreekt het beroemdste boek van Le Corbusier in de omvangrijke collectie architectuurboeken van de Nijmeegse Radboud Universiteit, waaruit universitair docent architectuurgeschiedenis Jeroen Goudeau het boek (en een tentoonstelling) heeft samengesteld. Wel staat Le poème electronique erin, het boek dat Le Corbusier en de architect/componist Yannis Xenakis maakten over het door hen ontworpen paviljoen van Philips op de Wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel.

In veertien korte hoofdstukken en vele korte karakteriseringen van boeken geeft Goudeau op bondige en levendige wijze een overzicht van de geschiedenis van het architectuurboek, vanaf de middeleeuwen tot nu. Van begin af aan vormen boeken een ‘parallel universum’ met de echt gebouwde architectuur, stelt Goudeau vast. In dit parallelle universum gaat het niet alleen om architectuur maar ook om andere disciplines, zoals wiskunde, filosofie, muziek en theologie. Een afzonderlijk – en fascinerend – hoofdstuk is dan ook gewijd aan de boeken over Bijbelse architectuur, waarin de makers in woord en beeld laten zien hoe bijvoorbeeld de Toren van Babel eruit zag.

Terloops merkt Goudeau op dat het doel van auteurs van architectuurboeken ‘eeuwige roem’ was. Italiaanse architecten als Palladio, Scamozzi en Vignola, die in de zestiende eeuw een eigen uitleg gaven van de Tien boeken over architectuur van Vitruvius, het enige volledig behouden architectuurtractaat uit de klassieke oudheid, hebben die ook gekregen. Dank zij hun boeken werd hun werk ook bekend en invloedrijk in Noord- en Midden-Europa.

In de eeuwen hierna verschenen vooral in Nederland steeds meer praktische boeken over bijvoorbeeld de bouw van molens en vestingen. En toen de meeste Europese landen in de negentiende eeuw architectuuropleidingen kregen, kwam er een stroom hand- en leerboeken op gang. Tegelijkertijd verschenen er toen ook verhandelingen waarin het ging om de vraag welke stijl nu de juiste was in het nieuwe, industriële tijdperk. Zoals The seven lamps of architecture, waarin de Britse kunsthistoricus John Ruskin uit moreel-religieuze overwegingen pleit voor een terugkeer naar de gotiek.

In de twintigste eeuw verloren architectuurboeken hun praktische karakter. Steeds vaker waren ze ‘een radicaal manifest of een filosofisch model’, schrijft Goudeau. Vooral de geschriften van Le Corbusier hadden een visionaire toon, die tegelijk dogmatisch én veranderlijk was. In het hoofdstuk over de 20ste-eeuwse architectuurboeken verlaat Goudeau voor één keer zijn neutrale positie van beschrijver van de droge feiten en lijkt hij de polarisatie tussen de ‘modernen’ en ‘traditionelen’ in de 20ste eeuw te betreuren. Voor gematigde posities was geen plaats meer, stelt hij vast. Hij voegt hieraan de intrigerende opmerking toe dat juist hierin ‘niet zelden de kiem van een nieuwe richting’ ligt die ondogmatische antwoorden geeft op vragen als: ‘wat is nú nodig?’