Een voettocht van 1.500 jaar

Het Amerikaanse continent werd eerder en sneller gekoloniseerd dan gedacht. Dat blijkt uit DNA-onderzoek aan Amerikaanse mummies uit de tijd voor Columbus.

Archeologen installeren een duizend jaar oude mummie uit Peru op een tentoonstelling in het Musée de Confluences in Lyon. Foto JEFF PACHOUD / AFP

Dat Noord- en Zuid-Amerika zijn bevolkt vanuit Azië staat wel vast. Maar wanneer de eerste pioniers arriveerden, langs welke routes, en hoe lang het heeft geduurd voordat de eerste Amerikanen de zuidpunt van het continent bereikten, dat alles blijft omstreden. Genetici van de universiteit van Adelaide hebben nu, samen met Amerikaanse collega’s, een nieuwe reconstructie gemaakt van de kolonisering van Amerika, aan de hand van het DNA van 92 mensen die leefden voordat Columbus in 1492 Amerika ‘ontdekte’. Hun conclusie: de mensen kwamen eerder en het hele continent was sneller gekoloniseerd dan lang is aangenomen (Science Advances, 1 april).

Het begon in het noorden: Noord- en Zuid-Amerika zijn bevolkt door zogenoemde paleo-indianen die van Azië naar Amerika liepen, op de plaats waar nu de 90 kilometer brede Beringstraat ligt. Maar de vraag is wanneer dat gebeurde (zie inzet).

Op grond van de oudste vondsten van menselijke nederzettingen en van gereedschappen ontstond het idee dat die eerste mensen eerder dan 13.500 jaar voor Christus de oversteek waagden. Maar dat was omstreden omdat aannemelijk was dat de route van Azië naar Amerika pas rond 11.000 voor Christus begaanbaar werd. Toen liep de laatste ijstijd ten einde en ontstond in het westen van Canada, zo bleek uit geologisch onderzoek, een ijsvrije doorgang.

Geneticus Bastien Llamas en zijn team van het Australian Centre for Ancient DNA (ACAD) analyseerden mitochondriaal DNA van 92 pre-Columbiaanse mummies en skeletten, in ouderdom variërend van 8.600 tot 500 jaar. Door de mutaties te turven die zich voordoen binnen populaties die van elkaar zijn gescheiden, konden zij terugtellen en vaststellen wanneer twee groepen voor het laatst een gemeenschappelijke voorouder hadden. De onderzoekers concludeerden dat de voorouders van de 92 mummies en skeletten zo’n 23.000 jaar geleden voor het laatst contact hebben gehad met volken uit Siberië. Daarna bracht een groep met zo’n 2.000 moeders met kinderen – in totaal zo’n 10.000 individuen – ongeveer 6.000 jaar in isolement door in Beringia, de toen nog bestaande landengte tussen Siberië en Alaska.

Zo’n 16.000 jaar geleden begon deze populatie plotseling te groeien, volgens de onderzoekers omdat deze mensen toen konden wegtrekken uit Beringia, Amerika in. Niet via een landcorridor in Canada, want daar lag toen nog een massieve ijsmassa, maar langs de kust van de Stille Oceaan, waar het zeewater langzaam aan het opwarmen was. Op deze eerste golf volgde pas later, rond 13.000 jaar geleden, een tweede, die landinwaarts trok door de toen ontstane ijsvrije doorgang. Die golf was herkenbaar aan andere haplogroepen.

Het DNA-spoor wijst uit dat die eerste pioniers en hun nazaten zuidwaarts trokken, langs de Stille Oceaankust, totdat zij rond 14.600 jaar geleden aankwamen in het zuiden van Chili. De reis over de volle lengte van beide Amerika’s nam dus anderhalf duizend jaar in beslag.

Binnen een paar duizend jaar waren de afstammingsgroepen van de pioniers ver vertakt en geografisch van elkaar geïsoleerd, want ze wisselden geen DNA meer uit. De 92 onderzochte individuen behoorden tot maar liefst 84 verschillende haplogroepen. Een groot deel daarvan is intussen verdwenen.

Het ACAD-onderzoek heeft niet alleen het tijdschema van de kolonisering van Amerika scherp gesteld. Llamas c.s. vonden ook onweerlegbaar genetisch bewijs voor de demografische ineenstorting die volgde op de komst van de Spanjaarden in de zestiende eeuw. Tal van haplogroepen waartoe de 92 onderzochte menselijke resten behoorden, zijn verdwenen.