Column

De SHV-man redt mijn oude vader

Mijn vader wilde naar de opheffingsuitverkoop van V&D om nieuwe handdoeken voor mijn moeder te kopen. Toen hij bij Hoog Catharijne was, kwam er een brandweerwagen de hoek om scheuren. De roltrappen, de liften, alles stond meteen stil. Met geen mogelijkheid kon hij boven komen. Hij terug naar het huis. Rijdt hij op de Mariaplaats, houdt zijn scootmobiel ermee op. Accu leeg. Jodemina, wat nu? Een paar voorbijgangers schieten hem te hulp en proberen de scootmobiel naar de kant te duwen. Maar hoe het kan, kan het, dat ding is niet in beweging te krijgen.

Op dat moment – mijn vader straalt van plezier als hij me het verhaal vertelt – stapt er een man in een pak naar voren en die vraagt wat er moet gebeuren om het probleem op te lossen. Blijkt het de directeur van SHV Holdings te zijn. Zestigduizend werknemers. „Het hoofdkantoor zit daar op de hoek. Wist je dat?”

„En toen?”, vraag ik.

„Hij trommelt staande de vergadering zijn chauffeur op en die rijdt me naar het huis om de oplader te halen.”

Het is zaterdagochtend, we drinken koffie in de brasserie van het huis. „Waar was de brand?”, vraagt mijn moeder.

„Brand?”, zegt mijn vader. „Er was geen brand.”

„O, gelukkig maar.” Ze steekt haar hand naar hem uit. „Mag ik jouw koekje?”

„Als je even wacht wel, ja.” Hij probeert met zijn tanden de verpakking open te scheuren. „Het was trouwens een Audi, de auto van de directeur. Een heel grote Audi.”

Ik vraag waar hij zijn scootmobiel heeft opgeladen. „O, ja”, zegt mijn vader. „Dat is nog het mooiste van het hele geval. Ze hadden dat ding ondertussen naar het hoofdkantoor gebracht en daar werd ik vorstelijk onthaald met koffie en een broodje. En toen gebeurde er iets wonderlijks. Zit ik in die hall, alles piekfijn geregeld, word ik opeens geweldig jaloers.”

„Jaloers? Waarom?”

„Ja, waarom, waarom. Dat snap ik zelf ook niet.”

„Geef maar”, zegt mijn moeder. „Ik maak het zelf wel open.” „U hoort niet meer bij die wereld”, zeg ik. „Is dat het?”

„Ja, dat is het. Ik hoor er niet meer bij. En die directeur denkt natuurlijk: zo’n oude invalide man. Terwijl vroeger, bij de vereniging...”

„Daar werkte jij”, zegt mijn moeder. „Jij werkte bij de vereniging.”

Mijn vader lacht naar haar. „Je weet het nog.” „Jij was daar de grote man.” Ze lacht ook en pakt het koekje uit zijn handen. „Kom je er nog weleens?”

„Ach nee, Renske. Dat is toch allemaal allang voorbij.”