Aan gene zijde van het gangbare

In deze gave roman laat de Brit Swift een schrijfster terugkijken op haar jonge leven als dienstmeisje en op een onmogelijke liefde. Eén scène is van bijna mythische proporties.

Foto Getty Images

Sommige romanscènes blijven je altijd bij, ook al ben je het verhaal al lang vergeten; ze zijn zo vol van betekenis, en zo beeldend beschreven, dat het bijna afzonderlijke literaire kunstwerkjes zijn geworden. Denk je aan het boek, dan schiet meteen die ene scène je te binnen. Een goed voorbeeld is de losgeslagen luchtballon in Ziek van liefde van Ian McEwan. Sebastian Berry is er ook goed in: het getorpedeerde schip in De tijdelijke gentleman, de moordaanslag in een museum in In het beloofde land.

Ook in de nieuwe roman van Graham Swift (1949), Moeders zondag, zit zo’n scène. Het boek beschrijft een dag uit het leven van het dienstmeisje Jane Fairchild. Die dag is 30 maart 1924, ‘Moeders zondag’, de dag waarop het huispersoneel vrij krijgt om hun familie te bezoeken. Het is een Engelse traditie die echt blijkt te hebben bestaan, zo blijkt na enig googelen. Het is bijna jammer dat Swift die dag niet zelf heeft verzonnen. Dat had deze roman op een bepaalde manier nog mooier, meer literair gemaakt: wanneer de schrijver met vanzelfsprekend aplomb een traditie had verzonnen omdat dat hem zo uitkwam.

Vondeling

Jane werkt op Beechwood, een landhuis in het Zuid-Engelse graafschap Berkshire. Ze is 24, en als vondeling opgegroeid in een weeshuis. Ze heeft geen familie om te bezoeken, en wil haar vrije dag lezend en fietsend doorbrengen – maar dan krijgt ze bericht van haar minnaar.

Die minnaar is Paul Sheringham, de zoon des huizes van het belendende landgoed. Hij en Jane hebben al vanaf hun tienerjaren jaar een geheime verhouding. Eerst gaf hij haar kleine geldbedragen voor bewezen diensten, nu zijn ze al jaren ‘verslaafd aan datgene wat ze deden’ en noemt hij haar zelfs stiekem zijn vriendin, hoewel hij verloofd is met een meisje uit zijn eigen klasse.

Standsverschil speelt een grote rol in Moeders zondag. Swift, die in 1996 de Booker Prize won met Last Orders, beschrijft een wereld die op dat moment al aan het verdwijnen is, het verhaal is doortrokken van afscheid en verlies. De Eerste Wereldoorlog ligt nog vers in het geheugen, in beide landhuizen leeft de herinnering aan zoons die in de loopgraven zijn gesneuveld. Jane en Paul zullen deze dag voor het laatst met elkaar naar bed gaan: na zijn huwelijk zal Paul zich in Londen vestigen als advocaat. Vandaag, op Moeders zondag, is hij alleen thuis. Het personeel is op familiebezoek, zijn ouders dineren met zijn aanstaande schoonouders. Eindelijk kunnen hij en Jane het in zijn eigen bed doen, zonder haast.

De choreografie van de dag wordt door Swift zorgvuldig beschreven, bijna minutieus, met vooruit- en terugblikken. Langzaam doemen uit de eerste pagina’s Jane en Paul op, naakt, als gelijken, terwijl ze hun postcoïtale sigaret roken. Paul staat op en kleedt zich aan. Hij heeft een afspraak met zijn verloofde. Jane mag blijven liggen, ze heeft het hele huis nog urenlang voor zichzelf, tot het personeel thuiskomt.

En dan volgt die scène. Jane, alleen in het lege landhuis, staat op, en loopt naakt van kamer naar kamer. In de keuken eet ze wat. Dat is alles, maar het is adembenemend, realistisch en onwerkelijk tegelijk, mythisch bijna, iets uit een legende, of een droom. Zowel meisje als huis bevinden zich in een nieuwe werkelijkheid, aan gene zijde van wat gangbaar is. Zij, het dienstmeisje van de buren, naakt, onverschrokken en weerloos. Het huis volkomen onbevolkt, een holle vreemde ruimte. Je houdt je hart vast – dit kan niet goed gaan.

Melancholieke spanning

Door de vooruitwijzingen die Swift in zijn verhaal verwerkt, weten wij al wat er inmiddels is misgegaan, eerder dan Jane zelf; we kijken naar haar met de wetenschap van later – alsof ze zich, op het moment dat ze daar rondloopt, al in haar eigen verleden bevindt. Het resultaat: melancholieke, verstilde spanning.

Het dienstmeisje blijkt later een bekend schrijfster te worden. Aanvankelijk denk je dan: jammer. Waarom moet Swift van dit intelligente, zelfstandige dienstmeisje uitgerekend een schrijfster maken, waarom moet hij haar alsnog inlijven bij ‘ons’, bij de geletterde, lezende middenklasse? Het is net alsof ze daardoor iets van haar autonomie moet inleveren.

Maar uiteindelijk begrijp je dat deze kleine, gave roman niet gaat over een dienstmeisje dat schrijfster wordt, maar over een bejaarde schrijfster die ooit een dienstmeisje was, en die, wanneer ze op haar leven terugkijkt, precies het moment kan benoemen waarop haar schrijverschap begon: toen ze naakt in een vreemde, gewijde stilte door dat landhuis liep. Ze zou er altijd over zwijgen. Wij, de lezers, zijn de enigen die het weten. Zo worden we ingewijden. Knap gedaan van Swift.