Column

Zwijggeld

Zwijggeld wordt betaald om ongewenste publiciteit te voorkomen, maar het Hilversumse ziekenhuis Tergooi bereikte er het tegendeel mee. Vandaag debatteert de Tweede Kamer – als er niets tussen is gekomen – over de regeling die dit ziekenhuis trof met de nabestaanden van een patiënt die overleed na medische fouten. Mij lijkt het moreel dubieus om de uitkering van smartengeld te koppelen aan een zwijgclausule, maar dit komt veel vaker voor. Een jurist legde me uit dat je zo’n beetje alles in een contract kunt vastleggen, zolang je bepaalde algemeen geaccepteerde rechtsbeginselen (zoals mensenrechten en de grondwet) niet overschrijdt. Dat heet contractsvrijheid, met een tussen-s op een onverwachte plaats.

Ook de geschiedenis van het woord zwijggeld – dat sinds 1806 in het Nederlands voorkomt – bleek een voor mij onverwacht element te bevatten, namelijk een zeer dubieuze episode uit de persgeschiedenis. In de tweede helft van de 19de eeuw was het namelijk niet ongewoon om aan kranten zwijggeld te betalen om fictief negatief nieuws te voorkomen.

Hoe dat in z’n werk ging is in 1896 fraai beschreven door mr. J. van Schevichaven in zijn boek Van Leven en Sterven. Het verleden en heden der levensverzekering. Van Schevichaven verhaalt hoe een directeur van een levensverzekering, die zojuist een filiaal in een buitenlandse hoofdstad heeft geopend, in zijn hotel onverwachts bezoek krijgt van een redacteur van een financieel blad. De redacteur laat de verzekeringsbaas twee drukproeven van zijn krant zien. In de ene proef staat, tot verbazing van de directeur, dat er geen levensverzekering zo onbetrouwbaar is als de zijne. De andere drukproef bevat een lofzang op zijn verzekeringsbedrijf. De directeur krijgt de keuze: als hij de redacteur wegstuurt, zal het negatieve stuk worden geplaatst. Als hij 100 gulden betaalt (nu zo’n 1250 euro) verschijnt er niets over zijn bedrijf in de krant. En als hij 200 gulden betaalt, zal de lofzang worden gepubliceerd.

Kranten die zich aan dergelijke afpersingspraktijken schuldig maakten, stonden bekend als revolverpers. Van Schevichaven spreekt zijn afschuw uit over deze „vieze, geniepige blaadjes”, die het vooral op levensverzekeringen hadden gemunt. De kranten werden onder meer afgenomen door concurrerende verzekeringsmaatschappijen, die daarmee klanten hoopten te winnen. In plaats van artikelen plaatsten ze soms fictieve ingezonden brieven, waarin een bedrijf zwart werd gemaakt.

„Zeer vaak, en dikwijls bij vrij aanzienlijke bladen”, aldus Van Schevichaven, „vindt men de gewoonte, zoogenaamd zwijggeld te doen betalen. Dit komt hierop neer, dat het blad zich tegen het genot van een zekere jaarlijksche bijdrage verbindt, nimmer iets kwaads te schrijven omtrent de bijdragende Maatschappij. En die gewoonte is in sommige landen zóó algemeen, dat men er het absurde en immoreele niet meer van schijnt in te zien. Elke Maatschappij trekt daar jaarlijks een zeker bedrag voor zwijggeld uit en wanneer men daarin iets verkeerds ziet, waaraan men niet wenscht mede te doen, wordt men voor zeer excentriek gehouden.’’

Dergelijke journalistieke afpersingspraktijken kwamen in de tweede helft van de 19de eeuw voor in België, Frankrijk, Duitsland en VS, maar nergens werd er indertijd zoveel zwijggeld uitgekeerd als in Oostenrijk.