Verdwijnen in muziek. In beelden. In de balts

Landschappen van de ziel. Bij Gainsborough, in ‘Het jaar van de kreeft’ en volgens Dawood Hilmandi.

Thomas Gainsborough: Giusto Ferdinando Tenducci, ca. 1775

Thomas Gainsborough (1727-1788) was een portrettensmid, hij schilderde voor de poen. Wat niet betekent dat hij broddelwerk afleverde. Integendeel, in Enschede, in het Rijksmuseum Twenthe, zie ik hoe hij de upper class van zijn tijd treft in hun persoonlijkheid. Maar halverwege staat de expositie ineens op scherp, en dat komt door zijn portret van een Italiaanse operazanger, de castraat Giusto Ferdinando Tenducci. Niet zomaar iemand, Mozart componeerde voor hem. Dit portret haalt de rest, hoe mooi ook, eigenlijk onderuit. Het mikt op niet meer dan een ogenblik: de zanger gaat op in de bladmuziek in zijn hand. Gainsborough schilderde hem met de intenties van de landschapsschilder. Een landschap is vluchtig, een windvlaag of een wolk verandert alles. En juist om die vluchtigheid gaat het: de schilder kiest een moment en laat zich kennen. Het risico van sentiment en kitsch is levensgroot. Maar lukt het, dan is het resultaat hartverscheurend kwetsbaar. Zie dit portret.

In Gainsboroughs landschappen zijn mensen details. Noodzakelijk voor het perspectief, verder bijzaak. Het gaat hem om het effect van bossen en halmen, om de wind en de zon. En om de wolken, die vooral. Zij bepalen het karakter van wat zich eronder ontvouwt.

Toneelgroep Amsterdam maakte een stuk naar de roman Het jaar van de kreeft, het antwoord van Hugo Claus op Wolkers’ Turks fruit. Het stuk wordt bepaald door een hemel vol zachtjes deinende mannelijke sekspoppen. Ik zocht ze op internet op. Zijn dit nou echt van die opblaasdingen uit de seksshop? Nee hoor. De echte zijn veel enger (getver, wat een loerissen) dan deze blote plastic mannen met hun vriendelijke erecties. De roze zwerm vult het drama eronder aan: twee mensen die baltsen tot ze erbij neervallen. Hij weerspiegelt hun verlangen naar seksuele geborgenheid.

In de video- en foto-installatie The Zero Space van Dawood Hilmandi krijgen impressies, herinneringen en gedachten reliëf via onherbergzame Afghaanse landschappen. Terwijl ik in De Balie in Amsterdam word ingesponnen door zijn video’s en foto’s, vertelt Hilmandi dat hij dit werk móét maken, „anders word ik gek”.

Gek? Hoezo? Hij begint te vertellen. „Op mijn vijfde werkte ik in de fabriek. Toen ik zes was, maakte ik me druk over geld. Ik ontvluchtte Afghanistan. Ja, alleen. Toen ik in Nederland kwam, was ik dertien. Ik wilde naar Canada, maar ik stuitte op de zee. Ik kon niet verder, dus bleef ik hier.” Nu is Dawood Hilmandi achtentwintig en een Nederlandse kunstenaar. Daar mag Nederland blij mee zijn. Zijn talent is evident, zijn werk wordt internationaal opgepikt. Recentelijk werd hij in New York uitgenodigd als artist in residence door de legendarische Robert Wilson („Hij lijkt op mijn vader. Die is een religieuze figuur.”)

Al die uiteenlopende identiteiten moet hij verenigen, zegt Hilmandi. Hoe? „Door deconstructie van mezelf.”