Simpel nee, complex antwoord

Referendum De kiezer zegt opnieuw nee tegen Europese samenwerking, maar waarom? De politiek heeft geen idee.

Foto Remko de Waal / ANP

Het grote interpreteren kan nu beginnen. Politiek Den Haag moet gaan bedenken welke boodschap de Nederlandse kiezers gisteren precies hebben afgegeven. En dus met welke opdracht zij het kabinet naar Brussel sturen.

Van de 32,2 procent kiezers die ging stemmen, sprak 61,1 procent zich tegen uit goedkeuring van het verdrag. Was dat omdat zij denken dat het verdrag Oekraïne stiekem toch een opstap biedt naar het lidmaatschap van de Europese Unie, zoals het tegenkamp in de campagne steeds beweerde? Kwam het voort uit onvrede met de Europese Unie, met het kabinet of met ‘de politiek’ in het algemeen? Of was het een specifieke passage in het verdrag waar ze tegen waren? Al die vragen hebben nog niet het begin van een antwoord.

SP en PVV zien gelijk bevestigd

Het referendum bestond uit een simpele voor-of-tegen-vraag die geen ruimte bood voor een inhoudelijke onderbouwing. Wat het ‘tegen’ volgens de kiezer voor gevolgen moet hebben – de politiek heeft nog geen idee. Dat ze er íets mee moet is duidelijk, het afgegeven signaal van de kiezer moet „serieus genomen” worden, zeiden politici van links tot rechts na de uitslag.

Want de angst voor de kiezer zit diep. In 2005 stemde Nederland in een referendum ook over Europa, over de Europese Grondwet. Toen lag zowel de opkomst (63,3 procent) als de tegenstem (61,5 procent) hoger. Nu bleef de overgrote meerderheid, tweederde van alle stemgerechtigden, thuis. De vraag of strategisch of uit pure desinteresse was is nog niet beantwoord.

Een deel van het tegenkamp bij het Oekraïnereferendum werd gevoed door de gedachte dat het kabinet in 2005 onvoldoende heeft gedaan met de kritiek van de kiezers en alsnog een vergelijkbaar verdrag sloot binnen de EU.

De SP en de PVV zien hun gelijk bevestigd in deze uitslag. Het kan toeval zijn, maar de tegenstem lijkt in ieder geval overeen te komen met de omvang van hun achterban.

Premier Mark Rutte nam gisteren een deemoedige houding aan. Hij zei dat het verdrag met deze uitslag „niet zonder meer kan worden geratificeerd”. Hij kocht meteen tijd. Nederland gaat nu een „stap-voor-stapproces” in met ingewikkelde onderhandelingen in Brussel voor de boeg, zei hij. „Daar gaan we echt de tijd voor nemen.” Weken, zei Rutte.

Dat proces van nadenken en onderhandelen zou zomaar eens de datum van 1 juli kunnen passeren, het moment dat Nederland het stokje van het tijdelijke EU-voorzitterschap overdraagt aan Slowakije.

Volgende referendum in de maak

De grote onzekerheid over de uitkomst van Ruttes onderhandelingen past ironisch genoeg uitstekend bij het beeld dat afgelopen weken rond het referendum ontstond. Het begon als „leuk zomerdingetje”, zoals Bart Nijman van GeenStijl zou hebben gezegd. De initiatiefnemers van het referendum zeiden zelf dat Oekraïne hen „natuurlijk niets” kon schelen. De kosten bedroegen 30 miljoen.

Er was gedoe over subsidie voor stroopwafels en bedrukte wc-rollen. En het besef groeide hoe onhandig het was dat de Eerste Kamer op het laatste moment een bindende opkomstdrempel in een adviserend referendum had gefietst.

Minister Ronald Plasterk (Binnenlandse Zaken, PvdA) benoemde vanmorgen wat iedereen al weken zag aankomen: hij wil opnieuw kijken naar de referendumwet en vooral naar de opkomstdrempel. De subsidies staan ter discussie.

Net als de wenselijkheid van referenda over internationale verdragenin het algemeen. Die evaluatie kan maar beter snel. Het volgende anti-Europese referendum heeft zich al aangediend: dat tegen het vrijhandelsverdrag TTIP met de VS.