Heeft alles wat weerloos is waarde?

Alsof hij bij dat ene clichévers is blijven hangen. Het lijkt erop dat de hoofdpersoon van Alles van waarde denkt dat Lucebert alléén maar dichtte dat ‘alles van waarde’ weerloos is – en dat vers ter harte neemt als behoudzuchtig credo. Hij heet Wijnand Struif, hij is wetenschapper te Leiden en vreest dat zijn instituut voor numismatiek, zeg maar oudemuntkunde, ter ziele gaat. Een ramp!

Maar heeft alles wat weerloos is dan ook waarde? Lodewijk van Oord laat zijn hoofdpersoon panikeren en zich opwinden over de eis van de snelle managementjongen dat hij ‘meerwaarde’ moet bieden aan het ‘facultaire onderwijsproduct’. Maar die hoofdpersoon kreeg ook een Donald Duck-naam en dito karakter, en eerlijk is eerlijk, op het spel staat slechts de teloorgang van een zelfgenoegzaam hoekje in het academische biotoopje waar je in negen minuten omheen loopt. Dat móet satire zijn.

Toch? Net als zijn debuut Albrecht en wij, over de kwaliteitsimpuls van een noodlijdende dierentuin, zweeft Van Oords tweede roman tussen parodie en aanklacht. Dat ging in het debuut wel strakker: het tempo van Alles van waarde is onregelmatig, met zijn onelegante tijdsprongen en flitsontknoping. Maar het zit wél weer snor met de academisch-essayistische, geëngageerde kant van het boek, die we nu voorzichtig, na twee romans, als Van Oords kracht (of ‘USP’) mogen zien.

Daarbij is de interessantste rol, tegenover al die baasjes, weggelegd voor Taziri Azulay, de promovenda van Struif. Hoe exotisch de mannetjes haar ook bezien, zij is in de roman juist het meest genuanceerde personage – en de enige die niet behoudzuchtig traditioneel denkt. Zij is de toekomst. En zij heeft wél kaas gegeten van wat Lucebert dichtte: ‘alles van waarde is weerloos/ wordt van aanraakbaarheid rijk/ en aan alles gelijk’. Met een briljant ambivalente ontknoping tot gevolg.