Column

De versplintering van de vrije wereld

Het lijkt wel, schreef de Britse commentator Philip Stephens anderhalf jaar geleden, of de wereld op zoek is naar redenen om te versplinteren. Als je dat niet wil zien, dan zie je het niet: we kopen en gebruiken apparaten die door wereldwijde productieketens in elkaar zijn gezet. We communiceren vanzelfsprekend met alle plekken op de aardbol. We, in ieder geval wij westerlingen, reizen bij wijze van spreken morgen onbekommerd af naar welk land dan ook.

We bevinden ons kortom in een wereld die steeds dichterbij het ideaal van de kosmopoliet komt. Wij zijn rijk en welvarend. En een groot deel van wat we nog niet zo lang geleden de ‘arme landen’ noemden, stoomt op in de vaart der volkeren en is nu ‘opkomende markt’. Het aantal mensen dat onder de armoedegrens leeft neemt wereldwijd af. Hoeveel beter wil je het hebben?

En toch groeit de afkeer van alles wat met internationalisering, of globalisering, te maken heeft. Dat vraagstuk is complex, en nog lang niet ontrafeld. Eén antwoord zou kunnen zijn dat globalisering een goed idee leek zolang het ónze vorm van globalisering was: een eenzijdige afspraak tussen noord en zuid in ons voordeel.

Het is nog maar een jaar of vijfentwintig geleden dat de vergrijzing in Nederland zou worden opgelost door ons spaargeld en onze pensioenfondsen vrijuit te laten investeren in wat toen nog de ‘Derde Wereld’ heette. Zij gingen daar dan werken voor ons pensioen. Geen idee dat ze daar zelf ook een agenda hadden, en wensen voor een beter leven.

Nu blijkt dat de diagnose van Pascal Lamy, de Franse voormalige topman van de wereldhandelsorganisatie (WTO), waar was: globalisering zorgt voor een afnemende ongelijkheid tussen landen, maar tegelijkertijd voor een toenemende ongelijkheid binnen landen.

Globalisering lijkt, als je de logica van Lamy volgt, dus met name in het voordeel te zijn van een ‘elite’ die het gevolg is van die toenemende ongelijkheid. Zolang de koek groter wordt, zoals in de opkomende landen, is dat verdelingsvraagstuk minder acuut. Maar wanneer de koek al een jaar of zeven even groot is, wordt het een probleem.

Zo bezien komt het nauwelijks als een verrassing dat globalisering, of die nu regionaal is of mondiaal, door het westerse publiek als de schuldige wordt aangewezen. Méér vrijhandel is niet populair, zie TTIP. Nog meer regionale integratie ook niet, zie Oekraïne en ‘Brussel’ in het algemeen. En de verontwaardiging over de Panama Papers is er niet alleen omdat belastingontwijking op grote schaal plaatsvindt, maar ook omdat het in veel gevallen helemaal niet illegaal blijkt. De ‘elite’ bedient zichzelf van het kosmopolitisme, belasting wordt enkel betaald door wie niet weg kan.

Je kunt de huidige maatschappelijke tegenbeweging tegen globalisering, die optreedt van de VS tot Europa, een zoektocht naar identiteit noemen, een zucht naar nationalisme. Een actieve zoektocht naar internationale versplintering. Maar daaronder ligt vooral de overtuiging bij het grote publiek dat de vrije economie, nationaal en internationaal, een zero sum game geworden is: wat de één wint, verliest de ander. Totdat dit probleem, op welke manier dan ook, wordt verholpen blijft de woede bestaan.