Bij Fischer heeft Brahms grandeur én frisse energie

Vier keer koppelt het Concertgebouworkest dit seizoen Brahms aan diens inspirator Bach. Dirigent Iván Fischer, wiens lucide Brahmsen ook op cd talrijke prijzen wonnen, is van het dirigententandem met Daniel Harding veruit het succesvolst. Deze week paart hij de Eerste symfonie aan Bachs Magnificat, hem typerend eigenwijs omkranst door twee intieme gregoriaanse antifonen.

De merkwaardige kracht van Iván Fischer is dat de eigenheden van zijn interpretaties je vaak het gevoel geven dat de muziek gewoon zo ‘hoort’. Dat gold ook hier voor een relatief romantische, langlijnige en fraaie Bach, met natuurlijk ademende tempi en indrukwekkende virtuositeit van de strijkers en de uitmuntende solisten, onder wie sopraan Anna Lucia Richter en tenor Benjamin Hulett. Het Nederlands Kamerkoor, per stemgroep opgesteld in vijf losse blokken, overtuigde met heldere, stralende polyfonie.

In Brahms’ Eerste – met de bassen achter het orkest als solide fundament – toonde Fischer zijn greep op de architectuur. Hier stroomde onder de grandeur een frisse energie door – met een dwars Allegretto dat de Hongaarse dansen in herinnering riep en een opvallend donkere, ronkende strijkersklank in het Adagio.