We kunnen Wim Brands niet missen

Mijn dochter zoekt een boektitel voor haar Nederlandse literatuurlijst. Ze had Nacht der Girondijnen van Presser gelezen, maar dat mocht niet. Stond niet op de lijst voor het vwo. Ik kijk even mee. Er staat níéts van voor de Tweede Wereldoorlog op. Geen Elsschot, geen Nescio, geen Karakter, geen Kees de jongen.

Nu krijgt ze zes weken de tijd om het alsnog gekozen boek in de les te lezen. Lukt dat niet, dan mag ze het thuis uitlezen. „Onder het stil lezen zit iedereen Netflix op z’n telefoon te kijken”, zegt ze. „Telefoon achter je boek.”

Dat doet zij „soms” ook, zegt ze. „Ik vind Nederlands oprecht een heel saai vak. Er zit zo weinig diepte in.”

Christiaan Weijts schreef in deze krant dat docenten Nederlands juist te veel eisen aan hun leerlingen stellen door ze „belegen aftrekfantasietjes” uit de 19de eeuw te laten lezen. „Fuck de canon!” En de docenten op strafkamp. Kluun – „schaf de literatuurlijst af” – in het AD: „Fifty shades is Engels, maar afgezien daarvan: ja, dat moet absoluut kunnen. Hartstikke leuk.”

Ik denk aan Wim Brands, die vorig jaar met zijn dochter („de middelbare school doorgehobbeld met zes leesverslagen van Joe Speedboot”, zei hij bij de Nieuwsshow) een bundel samenstelde met Nederlandse schrijvers van de 21ste eeuw.

Zijn bescheiden eruditie. „Een momentopname”, zo noemde hij zijn poging, „van iemand die met zijn camera op een mooie zondagochtend langs het veld staat en plaatjes schiet. Waarbij het niet uitgesloten is dat zich ook nog een plaatje achter zijn rug afspeelt dat hij niet heeft gezien.” Hij hoopte dat het onderwijs geïnteresseerd zou zijn in het boek.

Zo licht en veeleisend tegelijk was hij ook in zijn interviews. Aan neerlandicus Frits van Oostrom over diens middeleeuwse literatuurgeschiedenis Wereld in woorden vroeg hij: „Hoe weet je dat allemaal?” Ik mocht aan zijn tafel vertellen over mijn onderzoek in een migrantenwijk in Rotterdam-Zuid. Eerste vraag: „Bij wie kom je binnen? Wat zie je, wat ruik je?”

En daarna moest er gewerkt worden. „Leg maar uit”, moedigde hij aan. Of: „Nu je dit vertelt, schiet me te binnen…” Het werden discussies, die interviews, en als kijker had je het idee dat de wereld iets heler werd.

Een enkele keer had ik hetzelfde gevoel gekregen in de Nederlandse les. Toen meneer Degen Pauls ontwaken van Frederik van Eeden voorlas, over de dood van zijn zoon. „Jongeren leren over hun eigen leven door het lezen van literaire werken”, zei Wim Brands. Hij stelde voor de traditie van voorlezen in de klas weer in te voeren. We kunnen hem niet missen.