Meesterbewerkers van symfonieën

Hoe hoorden mensen in de negentiende eeuw een symfonie van Beethoven? De orkesten moeten heel anders hebben geklonken dan nu, dat is duidelijk. Veel musici doen hun best om die klankwereld te herscheppen. Maar zelfs als we een symfonie met dezelfde middelen spelen als in Beethovens tijd, op oude instrumenten, dan horen we zo’n symfonie niet zoals de meeste negentiende-eeuwers.

Waarom?

In, zeg, 1840 kon je nog niet zoals nu elke week wel ergens naar een Mozart of Beethoven in een concertzaal. Opnames waren er natuurlijk nog lang niet, en even een symfonieorkest regelen was voor de meeste mensen geen optie. Hoe hoorde je die stukken dan? Door ze zelf te (laten) spelen in een bewerking, meestal voor piano, meestal voor vier handen, soms aangevuld met andere instrumenten. De kleuren van het orkest moest je er zelf maar bij denken.

Componisten konden goed verdienen aan zulke bewerkingen. Het was big business in een tijd waarin in veel landen nog geen auteursrecht was (of het niet werd nageleefd), en dat werd het helemaal toen in de tweede helft van de negentiende eeuw de middenklasse groeide. Soms maakten componisten ook zelf bewerkingen van hun stukken. Zo smeedde Beethovens zijn Tweede symfonie om tot pianotrio (piano , viool en cello).

Een van de meesterbewerkers van de negentiende eeuw was Franz Liszt (1811-1886). Hij was zelf een van de succesvolste componisten ooit, en in zijn tijd al een levende legende als pianist. Maar voor een paar herschrijvingen draaide hij zijn hand niet om.

Voor Liszt was het bewerken van de negen Beethoven-symfonieën een heilige taak. De pianist Yury Martynov voltooide onlangs ‘zijn’ cyclus, met het sluitstuk, de Negende. Die klinkt op een piano die Liszt had kunnen bespelen (een Blüthner uit 1867), zonder koor dat de Ode an die Freude zingt. Maar wat is het mooi.

De bewerking van Liszt is als een röntgenfoto van de partituur: hij legt de structuur bloot. Liszt kon niet alle noten handhaven, het is een reductie. En toch hoor je als je de symfonie al (oppervlakkig) kent waarschijnlijk nieuwe dingen. Een toon op een hoorn of fagot kan omfloerst klinken, op de piano is zo’n toon veel aanweziger. En als je dan naar de pianoversie luistert, word je je bewust van wat je ‘mist’.

De finale van Beethovens Negende op piano is, hoe goed Liszt het ook heeft gedaan, eigenlijk onmogelijk om door één persoon te laten spelen. En ook daardoor krijgt het iets extra’s, op piano. Je voelt dat het een uitputtingsslag is. Dankzij Liszt merk je hoe groot Beethoven dacht. Hoe ongelooflijk revolutionair hij was.