Libelle

Bij het ‘Libelle Nieuw café’, een bijeenkomst waarbij lezeressen van het tijdschrift Libelle vragen mogen stellen aan een gast, wees Geert Wilders opeens naar het persvakje, waarin we als haringen in tonnetje stonden, om te zeggen dat we vreselijke mensen waren.
„Vre-se-lijk!!”

Geert deed zoiets al jaren, wijlen Pim Fortuyn deed het, bij Louis van Gaal reken je erop, maar sinds Donald Trump het in Amerika doet, is het zelfs normaal dat mensen van wie je zeker weet dat ze geen kranten lezen journalisten de volle laag geven.

Ik had er Geert Wilders niet voor nodig om te weten dat ik een vreselijk mens was. Het was inderdaad niet best wat daar in café Dudok op een paar vierkante meter tussen twee touwen was gepropt. Rutger Castricum van Powned, de microfoon met roze plofkap in een broekzak gepropt, met z’n gespeelde nonchalance; die man van Radio 1, die met zijn enorme kladblok voor iedereen het uitzicht bedierf; fotografen die elkaar wegduwden. En dan was er ook nog Frits Wester van RTL, aanwezig in verband met zijn dagelijkse videoboodschap (‘de Frits-vlog’), die zei dat hij zich Geerts woorden niet persoonlijk aantrok.

„Ik kan heel goed met Geert, en hij volgens mij ook met mij.”

Bedoelde Geert dan eigenlijk te zeggen dat hij alle journalisten vreselijke mensen vond, behalve Frits Wester?

Ik had Wilders niet nodig om te weten dat ik vreselijk was

Frits: „Dat moet je aan Geert vragen.”

Het deed er ook niet toe. Geert had met zijn opmerking niemand gekwetst. Integendeel: er stonden er heel wat die het zweepje van Geert best lekker vonden.

Wat irriteerde waren de Libelle-lezeressen – sommigen parkeerden de vorkjes er speciaal voor in de gratis verstrekte appelpunt – die er nadrukkelijk voor klapten. Wat was dit? Bestond er een onder Libelle-lezeressen levend idee van een groot complot van alle journalisten tegen Geert?

Deed ik een keer mijn best om niet alle Libelle-lezeressen over een kam te scheren, begonnen ze zelf. En maar klappen voor alles wat Geert vreselijk vond. Ik had kort oogcontact met een heel venijnig kijkende Libelle-lezeres en probeerde zo vriendelijk mogelijk terug te kijken.

Ik dacht: wat is er Libelle-vrouw, met je veel te korte kapsel? Wat zit je dwars? Stonden de krantenkoppen je de laatste tijd zo tegen?

Dat bleek na afloop reuze mee te vallen.

Ze las geen kranten, ze kwam zelfs in een week niet door de Libelle heen en kende geen journalisten. Ze was voor democratie en voor de gezelligheid van vroeger en zei: „Je gaat toch niet flauw doen over Libelle, he?”