Kiezer heeft bij referendum dubbel dilemma

Oekraïnereferendum Voor/tegen, wel/niet gaan stemmen. Daar gaat het vandaag om. Daarna kan ook de politiek het nog moeilijk krijgen.

Foto ANP / Robin Utrecht

Alles is gezegd. Het is nu aan de kiezer. Voor of tegen stemmen. Wel of niet gaan. Dat is de dubbele keuze van vandaag voor 12.838.934 stemgerechtigde Nederlanders. Voor of tegen het verdrag dat leidt tot nauwere samenwerking tussen de 508 miljoen inwoners tellende Europese Unie en Oekraïne, de sinds 1991 onafhankelijke ex-Sovjetrepubliek met ruim 44 miljoen mensen.

Wel of niet stemmen. Dat is eveneens aan de orde bij het tweede nationale Nederlandse referendum sinds de invoering van de parlementaire democratie. Bij een opkomst lager dan 30 procent is de uitslag niet geldig. Concreet: minstens 3.851.681 miljoen mensen moeten hun stem uitbrengen om de volksraadpleging rechtskracht te geven. Vanwege deze bepaling kan het een overweging zijn bewust niet te gaan stemmen om de opkomst onder de 30 procent te houden en zo het referendum te torpederen.

Bekijk ook onze Referendumwijzer Moet je gaan stemmen en zo ja, wat dan?

Het is juist deze opkomstfactor die ertoe leidt dat vanavond om 21.00 uur, na het sluiten van de stembureaus mogelijk niet direct volledige duidelijkheid over de uitslag kan worden gegeven. Bij ‘normale’ verkiezingen is dit aan de hand van exitpolls wel mogelijk. Bij het referendum kan aantal voor- en tegenstanders op basis van peilingen bij geselecteerde stembureaus weliswaar redelijk exact worden voorspeld, maar dit geldt minder voor de opkomst, die cruciaal is voor de betekenis van de uitslag.

Herleven de tijden van 2005?

Maar in de loop van de avond komt die duidelijkheid er dan toch, als de echte uitslagen uit de diverse gemeenten binnendruppelen. Dat zal naar verwachting sneller gaan dan bij verkiezingen omdat de kiezer in plaats van een lijst met diverse partijen en talloze kandidaten maar twee keuzes kan aangeven: voor of tegen. Niets invullen geldt als blanco stem, die alleen meetelt voor het bepalen van de opkomst.

Is de uitslag er, dan neemt de politiek het weer snel over van de kiezer. Belangrijkste vraag: wat te doen met de uitkomst? Is de opkomst onder de 30 procent dan gaat de meerderheid van ‘Den Haag’ snel over tot de orde van de dag en ratificeert Nederland als laatste lidstaat van de Europese Unie het associatieverdrag met Oekraïne. Hetzelfde gebeurt als de opkomst boven de 30 procent ligt en de meerderheid van de kiezers ‘voor’ heeft gestemd. Anders wordt het als de opkomstdrempel is gepasseerd en de meerderheid zich tegen het verdrag heeft uitgesproken.

Bij een hoge opkomst en een overtuigende tegenstem, herleven de tijden van 2005. Op 1 juni van dat jaar sprak een ruime meerderheid van 61,5 procent zich, bij een opkomst van 63,3 procent in een op initiatief van de Tweede Kamer georganiseerd niet-bindend referendum, uit tegen de Europese Grondwet. Het was dus niet verplichtend, maar de uitslag was zo duidelijk dat het kabinet-Balkenende die direct overnam.

De grote vraag is wat er na vandaag gebeurt als de uitslag minder evident is dan in 2005. Een meerderheid van de Tweede Kamer heeft al laten weten dat als de opkomst boven de 30 procent uitkomt de uitslag moet worden gerespecteerd.

Nee-stem negeren of niet

Volgens de op 1 juli van het afgelopen jaar van kracht geworden referendumwet hoeft dit niet. De wet bepaalt slechts dat de regering in dat geval een wet moet heroverwegen. Dit heroverwegen kan ook tot de conclusie leiden dat de regering haar oorspronkelijke besluit gewoon doorzet. Maar daarmee wordt wel de uitspraak van de kiezer genegeerd. Het is niet waarschijnlijk dat het kabinet in het huidige harde politieke klimaat met nog geen jaar te gaan tot de verkiezingen voor de Tweede Kamer dit aandurft.

In 2005 was de uitslag zo duidelijk dat het kabinet die direct overnam

Meer voor de hand ligt dat bij een nee tegen het verdrag met Oekraïne het kabinet met behulp van Brussel naar een oplossing gaat zoeken. Op dit terrein kent de Europese geschiedenis al vele voorbeelden waarin voor landen bepaalde uitzonderingsclausules konden worden gevonden, zonder het grotere geheel wezenlijk aan te tasten. Dat kan bij het associatieverdrag met Oekraïne ook. Deels is het Verdrag rechtstreeks door de Europese Unie met Oekraïne gesloten – het handelsdeel. Hierop heeft de uitslag van het referendum geen invloed. Bij het politieke deel kan tekstueel gesleutel worden toegepast. Bijvoorbeeld door speciaal voor Nederland een voetnoot op te nemen waarin Nederland laat aantekenen dat dit associatieverdrag niet zal leiden tot EU-lidmaatschap van Oekraïne.

Moeilijker in te schatten is de politieke schade die een afwijzend referendum kan opleveren. Premier Rutte en minister Koenders mogen aan het buitenland uitleggen dat EU- voorzitter Nederland tegen het associatieverdrag met Oekraïne is. Maar ook dit is een vast gegeven in Europa: de rest heeft vaak volop begrip voor de politieke buitenissigheden waar lidstaten in hun eigen land soms mee te kampen hebben.