Ik koop dus ik besta

Marx zei al: hebzucht kent geen grenzen. Waarom verleiden de cadeauwinkels ons dan toch tot de aankoop van allerlei filosofische spullen?

Het is de Maand van de Filosofie. Dat betekent dat er veel filosofieboeken in de schappen van de boekhandel liggen, dat er in Amsterdam uitvoerig wordt gedebatteerd tijdens de Filosofie Nacht (15 april) en dat er flink wat socratische gesprekken worden gevoerd. Maar er is meer. Filosofie is hot en dat is terug te zien in de winkel. Wat zouden de filosofen daarvan vinden? Nietzsche zou waarschijnlijk nog depressiever zijn geworden bij het zien van zijn beeltenis op de hoes van een iPad.

Karl Marx (1818-1883) vreesde er al voor: de dictatuur van het proletariaat. Maar had hij enig vermoeden dat deze dictatuur zich zou vertalen in het consumentisme dat we nu kennen? Zijn tijdgenoot, politiek filosoof en historicus Alexis de Tocqueville (1805-1859), had het wel al in de gaten. Ook al was De Tocqueville een bewonderaar van de democratie, toch wees hij al op een probleem: de meerderheid van het volk zou wel eens onbeduidende en banale genoegens kunnen gaan najagen.

In zijn hoofdwerk De la démocratie en Amérique schrijft hij dat de burger ‘een algemene passie voor overvloed en materialisme’ kan ontwikkelen en een ‘gerichtheid op mooie, luxueuze en dure spullen’. In dat stadium zijn we inmiddels beland. Want nu we in weelde leven en de tijd hebben om te reflecteren, is er ook aandacht gekomen voor filosofische gadgets. Hebben we het nodig? Absoluut niet. Het is leuk. Maar met filosofie heeft het niets te maken. Schopenhauer zou dan ook iedereen afraden deze spullen te kopen: alle beperking maakt gelukkig.