De zoon die alles goed moest maken

Zak Ebrahim (33) is de zoon van een terrorist. Hij wist zich los te maken uit de cocon van haat waarin hij opgroeide. ‘Ik begon mijn leven met een negatief saldo, en ik moest dat aanzuiveren.’

Foto Ryan Lash

Op een vroege zondagochtend in 1989 worden Zak Ebrahim en zijn kleine broertje door hun vader in de auto gepoot. De tocht gaat naar een schietbaan op Long Island waar zijn vader heeft afgesproken met vrienden. ‘Salaam’ begroeten de mannen elkaar, ‘vrede’. Waarna zijn vaders kofferbak opengaat, die vol blijkt te liggen met pistolen en AK-47 geweren. Ook de jongens mogen schieten. Per ongeluk raakt Zak een lichtje bovenop een schietschijf, die in de fik vliegt. De mannen vinden het prachtig. „Ibn Abu”, roepen ze. „Zo vader, zo zoon!”

‘Ik heb zo geworsteld met het feit dat mijn vaders bloed door mijn aderen stroomt’

Zak Ebrahim is de zoon van een terrorist. Zijn vader, de in Egypte geboren El-Sayyid Nosair, vermoordde in 1990 de militante rabbi Meir Kahane, oprichter van de Jewish Defense League. Vanuit de gevangenis droeg Nosair vervolgens bij aan de planning van de eerste aanslag op het World Trade Center. In 1993 reden andere mannen uit de kring rond de Egyptische terroristenleider Omar Abdel-Rahman een busje vol explosieven de parkeergarage onder het WTC in. Hun plan was de torens te vernietigen. Dat lukte niet, maar er vielen bij de aanslag zes doden. Nosair is hiervoor tot levenslang veroordeeld.

„Ik ben het levende bewijs dat een zoon niet in de voetsporen van zijn vader hoeft te treden”, schrijft Ebrahim in zijn boek De zoon van een terrorist, een uitgebreide versie van zijn aangrijpende Ted Talk. Ebrahim besloot in 2014 als het ware uit de kast te komen: sindsdien vertelt hij hoe hij zich losmaakte uit de cocon van haat waarin hij opgroeide. De benodigdheden waren: een pretpark, Jon Stewart, een slimme geliefde en een kritische geest. Zijn verhaal, zegt hij, in Amsterdam op een korte promotietour, laat zien dat je voor vrede kunt kiezen, zelfs als je bent voorbestemd voor de jihad.

„Ik schreef mijn speech en later mijn boek vanuit een vreemd soort verantwoordelijkheidsgevoel. Ik heb zo geworsteld met het feit dat mijn vaders bloed door mijn aderen stroomt. Ik had het gevoel dat ik mijn leven met een negatief banksaldo begonnen was. En dat ik dat moest aanzuiveren.”

Wilt u goedmaken wat uw vader heeft aangericht?

„Nee, want dat kan niemand. Maar ik wil wel het gevoel hebben dat ik het mijne heb gedaan om de wereld te verbeteren. Nadat mijn vader Kahane had vermoord, ontving mijn familie doodsbedreigingen uit fundamentalistisch joodse kring, en donaties van radicale moslims. In 2000 werden een zoon van Kahane en diens vrouw gedood door Palestijnen, vijf van hun zes kinderen raakten gewond. En wat heeft alle dood en verderf opgeleverd, behalve verwoeste kinderlevens en getraumatiseerde mensen? Niets.”

Ebrahim (zijn familie nam een andere naam aan) is een man die zijn stem niet eens lijkt te kunnen verheffen. Hij praat zacht, hij beweegt traag, hij denkt soms heel lang na over een vraag.

Maar hij is zeker van zijn zaak. „Ik probeer met mijn verhaal zoveel mogelijk mensen te bereiken. Het is belangrijk de isolatie te doorbreken die voorafgaat aan radicalisering. Ronselaars en radicale imams gaan te werk zoals in Rwanda gebeurde voor de genocide. Ze isoleren degenen die ze tot moordenaar willen bekeren. Ze voorkomen dat er contact is met andersdenkenden, met gezonde, kritische geesten. Ze hameren voortdurend op negatieve, vernederende ervaringen waarop alleen geweld een antwoord is. Alles draait om het opkweken van blinde woede en razernij. Niets moet er meer toe doen, alleen de wil om terug te slaan.”

Hoe radicaliseerde uw vader?

„Niets van de sociaal-economische verklaringen voor radicalisering die je zo vaak hoort, ging op voor mijn vader. Hij had werk, hij werd niet gediscrimineerd. Hij was lief voor ons kinderen, hij zat vol grapjes. De verandering kwam, nadat een vrouw die een tijd bij ons had ingewoond, mijn vader ervan beschuldigde haar verkracht te hebben.”

De beschuldiging was uit de lucht gegrepen, zo bleek, maar Nosairs reputatie in de kring rond de moskee was door de beschuldiging naar de maan, een schaamte die hij niet te boven kwam. Het gezin verhuist van Pittsburgh naar New Jersey, maar daar kreeg Nosair een ongeluk; na een zware elektrische schok op zijn werk als onderhoudsmonteur kon hij een tijd niet werken en zijn gezin onderhouden. „Mijn vader schaamde zich”, zegt Ebrahim. „Hij werd bozer, stiller. Depressief. Hij lag soms de hele dag ineengekruld op zijn gebedsmatje. Hij liep door het huis met een Koran in zijn handen en keek dwars door ons heen.”

In de moskee in kwestie, later door de FBI omschreven als „het jihadkantoor van Jersey City”, predikte een Palestijnse haatimam in de jaren tachtig opstand tegen de VS, in solidariteit met de rebellen in Afghanistan die tegen de VS vochten. „Mijn vader was opgegroeid in het Egypte van Mubarak, die met steun van de VN en de VS zijn eigen bevolking mocht onderdrukken”, zegt Ebrahim. „De moskee gaf hem een perspectief. Hij kon iets dóen. Al snel had hij plannen naar Afghanistan af te reizen.”

Kunt u dat navoelen?

„Ik deel mijn vaders razernij over de aperte hypocrisie van de Amerikaanse Midden-Oostenpolitiek. Maar zijn oplossing is er één van de zwakken van geest. Radicaliseren is de makkelijkste weg. Je hoeft onrecht dat jou en de jouwen is aangedaan niet te verwerken, je hoeft geen manier te zoeken om ermee te leven.”

Nosairs slachtoffers waren, naast de mensen die hij doodde en verwondde, ook vooral zijn eigen vrouw en zijn kinderen. Voor Ebrahim en zijn broer en zus brak een harde, nare jeugd aan van om de zoveel maanden een verhuizing, eeuwige armoede en altijd de angst om ontdekt te worden. Al beschrijft hij ook dat de vader van één klasgenootje hem telkens geld toestopte, uit bewondering voor de daden van zijn vader. Hij kocht er een gameboy van.

Op zijn vele scholen is de mollige, onzekere Ebrahim als eeuwige nieuwkomer een dankbaar doelwit. „Ik werd doorlopend gepest.” Via de moskee wordt zijn moeder aan een nieuwe man gekoppeld. Zodra het huwelijk is gesloten, blijkt hij paranoïde, wreed en gewelddadig. Het gezin wordt mishandeld, al hun gangen worden nagegaan. Ze belanden bij de huisarts omdat ze ondervoed zijn. Op zijn twaalfde en dertiende is Ebrahim dicht bij zelfmoord. „Maar ik deed het niet. Ik was gelovig en zelfmoord is een zonde.”

De kentering kwam op zijn achttiende. „We verhuisden weer eens, dit keer naar Florida. Op zoek naar een bijbaantje werden mijn broer en ik aangenomen als gids bij een pretpark in de buurt. Mijn stiefvader kon ons daar niet volgen; hij kon de toegangsprijs simpelweg niet betalen. Er was onder de jongeren die er werkten, een vrijheid die ik nooit eerder had ervaren. Vrijheid om lol te maken, culturele vrijheid. Ik ontmoette er voor het eerst homoseksuelen. Slechte, zondige mensen, had ik altijd geleerd. Maar mijn homoseksuele collega’s bleken zo ongeveer de aardigste, geestigste en meest tolerante mensen die ik ooit had ontmoet. Zij maakten dat ik me goed voelde.”

Waren het deze ervaringen die maakten dat u van uw geloof viel?

„Nee. Eigenlijk had dat meer te maken met de geschiedenisles op school. Religie bleek veel jonger dan de mensheid zelf. Bij nader inzien leek het ook een bij uitstek menselijke uitvinding. Ik concludeerde dat de mensheid god heeft geschapen en niet andersom. Alleen mensen hebben het vermogen tot dit soort irrationele gevoelens en gedachten. Maar religie kan ook heel inspirerend zijn. Mijn moeder heeft juist altijd veel kracht gehaald uit haar geloof. Toen ze zich realiseerde dat mijn vader niet onschuldig was, concludeerde ze dat hij van zijn geloof was afgedwaald.”

Uw trauma had ook tot wrok kunnen leiden. Maar u verspreidt mildheid.

„Lang geloofde ik dat mijn vader onschuldig was, zoals ieder kind dat van zijn vader houdt zou doen. Als puber begon ik mijn vader juist te haten voor wat hij ons gezin had aangedaan. Ik zat inderdaad vol woede en ressentiment en wrok.

„Het was heel moeilijk die mentale staat te laten varen, de gewoonte om anderen van alles de schuld te geven. Lachen hielp. Ik keek als tiener dagelijks naar Jon Stewart. Die ijzeren logica, het aantrappen tegen ieder dogma, hielpen me onafhankelijk na te denken. Stewart was een openbaring; een joodse komiek die bijna een vaderfiguur voor me werd.

„Ondertussen zat ik ergens nog steeds op echte, eerlijke antwoorden van mijn vader te wachten. Maar als ik al contact had, mailde hij alleen dat alles opgelost zou zijn zodra ik me weer zou bekeren. Ik besefte dat ik die antwoorden nooit zou krijgen en dat het bovendien altijd de verkeerde antwoorden zouden zijn, begon ik vooruitgang te boeken. Ik accepteerde dat mijn eigen antwoorden beter waren.”

Eigenlijk is het zijn geluk, zegt Ebrahim bij het weggaan, dat zijn vader vanaf dat hij zeven was, in de gevangenis zit, en dat hij geen contact meer met hem heeft. „Als Nosair me wel had opgevoed, had ik geen kans gehad. Dan zat ik nu net zo vol haat als hij.”