De regering doet niets, dus gaan de Nepalezen zelf aan de slag

Een jaar na de aardbeving Hulpverleners krijgen de toegezegde 4 miljard niet, zolang de regering talmt met een herstelplan In Kathmandu zijn ze zelf maar begonnen.

Een huis in puin in Kathmandu. In januari kondigde de overheid herstelplannen aan. Foto Narendra Shrestha/EPA

Sushmita schuifelt over het oneffen terrein van het tentenkamp. Ze houdt de arm vast van haar grootmoeder, die kromgebogen naast haar loopt. Sushmita (15) werd vier jaar geleden blind door hersenvliesontsteking. Sinds de zware aardbeving die Nepal bijna een jaar geleden trof woont ze met haar vader, moeder, broertje en haar oma in een lekkende, tochtige tent.

„’s Nachts is het heel koud”, vertelt ze. „Tijdens de moesson was er overal modder en gleed ik steeds uit als ik naar de wc wilde. De latrines zijn aan de andere kant van het terrein. We hebben geen hulp gekregen van onze overheid. Unicef heeft ons water en wc’s gegeven. Maar nu komen hier geen hulporganisaties meer.”

Andere tentenkampbewoners bevestigen Sushmita’s verhaal. Het kamp bevindt zich onder de neus van de regering, in Kathmandu. Tot vlak voor de moesson, drie maanden na de aardbeving, leefden hier achtduizend mensen, die aan hun lot werden overgelaten. De regens hebben de meeste daklozen haast letterlijk weggespoeld. Wie kon, sprokkelde geld bijeen om een (dure) kamer in de stad te huren. Anderen vonden familie of vrienden bereid hun onderdak te bieden. Bijna duizend mensen bleven, veel jonge kinderen. Ze hebben dijkjes rond hun tenten opgeworpen en geulen gegraven, in een poging het regenwater buiten te houden.

„We hebben hier niemand van de overheid gezien”, vertelt Amrita Bika (49). Ze heeft een tweejarig jongetje op haar arm. „Niemand weet of zijn ouders nog leven. Hij is nu onder onze hoede.”

Niemand weet of zijn ouders nog leven

Vrouw met peuter in Kathmandu

Pas half januari kondigde de overheid officieel aan te beginnen met het herstel. „De wederopbouw moet feitelijk nog beginnen”, zegt Bhawani Rana, vicevoorzitter van de Nepalese koepel van Kamers van Koophandel. Op een donorconferentie die kort na de aardbeving werd gehouden, kreeg Nepal 4 miljard euro toegezegd. „Wij waren blij, maar er zijn nog geen plannen opgesteld voor een nationale wederopbouw. Tot die tijd krijgt ons land dat toegezegde geld niet.”

Volgens Rana, een zakenvrouw met belangen in de toeristensector, stagneert zo de economie. Vóór de aardbeving leek die met 6 procent per jaar te groeien. Zonder wederopbouw komt de groei voor 2016 niet boven de 3 procent uit: lang niet genoeg om de eigen armoede te kunnen bestrijden.

Het verhaal van de uitgestelde wederopbouw leest als een aaneenschakeling van opmerkelijke beslissingen. De regering besloot te wachten tot na de moesson, de regentijd die half juli begint en eindigt in september. Het argument: tijdens de regens is er gevaar voor landverschuivingen en kan er niet worden gebouwd. Veel Nepalezen hoopten juist dat vóór de moesson, tussen mei en half juli, alles uit de kast zou worden gehaald om zo veel mogelijk huizen te herstellen. Er gebeurde niets. Zo’n drie miljoen Nepalezen brachten de regentijd door in noodonderkomens van hout en golfplaten.

Nog tijdens de moesson ontstond onenigheid over invoering van een nieuwe grondwet, de zevende op rij. De gedachte was het land eerst weer een grondwet als basis te geven. Maar het proces van federalisering, door het land in provincies op te delen, mondde uit in een felle strijd. Nepal is een lappendeken van kasten en etnische groepen – zo zijn er dertien officiële regionale talen naast het Nepalees, de landstaal – en is het land nog steeds diep verdeeld door de felle maoïstische burgeroorlog die in 2006 na tien jaar werd beëindigd. Groepen die bang waren dat ze onder de nieuwe grondwet door vijanden zouden worden overheerst, protesteerden massaal. Bij onlusten vielen ruim vijftig doden.

Brugblokkade

De zwaarst getroffen groep, de Madhesi, blokkeerde de grensovergang met India, de belangrijkste handelspartner van Nepal. Het was de enige overgang waarlangs tankwagens met olie en gas het land konden bereiken. Het gevolg: tekort aan brandstof, kookgas en medicijnen. In februari kon de blokkade na vijf maanden worden doorbroken: geholpen door gedupeerde Indiase handelaren staken woedende Nepalezen de tenten van de demonstranten in brand, vernielden hun wegversperringen en voorkwamen met geweld dat ze weer de brug blokkeerden die een flessenhals tussen India en Nepal vormt.

Meteen na de aardbeving van 25 april, die aan bijna 9.000 mensen het leven kostte, 22.000 mensen verwondde en ruim 600.000 huizen verwoestte, waren veel Nepalezen woedend omdat hun overheid nauwelijks redding en noodhulp bood. Hoewel een zware aardbeving al jaren werd verwacht, moesten speciale reddingsteams worden ingevlogen vanuit het buitenland. Ook tenten, dekens, drinkwater, voedsel en medische hulp kwamen vooral via internationale kanalen. Na ook nog eens maandenlang vergeefs wachten op het herstel van de schade, lijken veel Nepalezen murw. Woede heeft plaatsgemaakt voor gelatenheid en schaamte.

In Thamel, de toeristische wijk in het centrum van Kathmandu, lijkt het meeste puin verdwenen. Maar in een zijstraatje ligt een grote berg hout en stenen op de plek waar eerst een stuk of zeven huizen stonden. Een groep Nepalezen is met de hand puin aan het ruimen. „We krijgen geen hulp, we doen alles zelf”, zegt Ebisa, een van de huiseigenaren. De autoriteiten weigerden een graafmachine te sturen. „Je krijgt dan het gevoel dat je zelf iets verkeerd doet.”

De overheid praat veel, maar doet niets

Dorpsleider van Kunchok

Internationale hulporganisaties richten zich op de buitengebieden, waar de nood het hoogst is. Oxfam, een ngo met Nederlandse inbreng, is actief in de zwaar getroffen districten Sindhupalchok en Gorkha. In haar kantoor in Kathmandu toont Nepal-directeur Cecilia Keizer enig begrip.

„De overheid heeft via districtshoofden de hulp zo goed mogelijk gedistribueerd. Er is geld verdeeld onder slachtoffers. We hebben nu heldere richtlijnen nodig. We leiden timmerlui en metselaars op. Maar er zijn regels nodig om aardbevingbestendige huizen te kunnen bouwen.”

Mensen die het zich kunnen veroorloven, zijn zelf maar begonnen met de wederopbouw. Met alle risico’s van dien. In het dorpje Sakhu, een uur rijden van Kathmandu, herbouwt de familie Sesta haar huis. Bij hen lieten de boeren uit het dorp vóór de aardbeving hun graan malen. Ze herbouwen nu zelf hun woning met een graanmolen om een inkomen te hebben. Naast het huis ligt een grote berg zand. De hele familie is in de weer.

„We gebruiken ons spaargeld. Als we graan kunnen malen, kunnen we weer wat geld verdienen”, zegt Timamta Sesta. „We hebben heel lang gewacht, onze overheid gaf geen hulp. We weten dat het niet veilig is om dit zelf te doen. Als er weer een aardbeving komt, stort ons huis misschien weer in. Maar we kunnen niet anders.”

Bergen puin

De aanpak van de familie Sesta is maar voor weinig Nepalezen weggelegd. Volgens de human development index van de VN bungelt Nepal in de onderste regionen: het land staat op plaats 145 van 188 landen. In 2014 moest bijna 58 procent van de bevolking rondkomen van minder dan 2 dollar per dag. De aardbeving en de economische verlamming door de blokkade en de trage wederopbouw hebben volgens een schatting van de Wereldbank 2,5 tot 3,5 procent van de bevolking (700.000 tot 980.000 mensen) onder de armoedegrens van een inkomen van 1,25 dollar per dag geduwd.

Het dorpje Kunchok, op vijf uur rijden van hoofdstad Kathmandu, was al arm voordat de aarde beefde. De aardbeving heeft vrijwel alle huizen vernietigd. Het dorpje ligt op bijna een kilometer hoogte en was lange tijd bijna onbereikbaar door aardverschuivingen en lawines. De bewoners ruimden ze zelf op na vele onbeantwoorde verzoeken aan de overheid.

Ingenieurs van Oxfam hebben ervoor gezorgd dat het dorpje weer water heeft – een typische overheidstaak. Door de aardbeving werden bronnen ontoegankelijk en vielen beekjes droog. „Ik hoop dat de internationale organisaties ons blijven helpen. Onze overheid praat veel, maar doet niets”, zegt Krishna Bahadur Rana Magar, een van de dorpsleiders.

Naast bergen puin van hun vroegere huizen hebben de bewoners hutjes gebouwd van golfplaten, hout en bamboe. Tara Nepali wijst naar de schamele resten van haar huis. „Ik raakte gewond. Mijn dochter van zeven en mijn zoontje overleden op weg naar het ziekenhuis. Hij was vier maanden.” Ze huilt.

„Omdat ik twee kinderen heb verloren, kreeg ik geld van de overheid. Ik had het geluk dat iemand me hielp met alle formulieren. Mijn buren begrepen de formulieren niet. Zij kregen niets. Het geld hebben we besteed aan de begrafenis, aan bouwmaterialen voor onze hut en aan dekens. Het is nu op, en ik heb nog steeds geen huis.”