De burger is los na dit referendum, en dat is erg

Dit referendum is ráádgevend. Daarom had een Kamermeerderheid nooit vooraf in moeten stemmen met de uitslag. Dat degradeert Nederland tot ‘voorwaardelijke onderhandelingspartner’, betoogt historicus Jan Drentje.

Illustratie Hajo

Voor velen is het referendum over het associatieverdrag met de Oekraïne een feest van de democratie. Na het eenmalige referendum over de Europese grondwet in 2005 mocht het volk opnieuw rechtstreeks zijn stem uitbrengen over een verdrag dat door de Europese elites voor ons is bedacht. Het referendum van 2005 ging uit van de regering, het referendum van 6 april is een burgerinitiatief.

In principe kunnen sinds 1 juni 2015 vrijwel alle gewone wetten en verdragen onderwerp zijn van een dergelijk correctief raadgevend referendum. Raadgevend, want onze grondwet kent het referendum niet. Over wetten en verdragen wordt besloten door de Staten-Generaal. Correctief: het referendum kan pas plaatsvinden nadat een wet of verdrag is aangenomen. Een grondwetswijziging om een bindend referendum mogelijk te maken, sneuvelde zoals bekend in de roemruchte Nacht van Wiegel in 1999. Ook nadien liepen initiatieven hiertoe vast. De huidige referendumwet is per gewone meerderheid aangenomen en zou geen kans maken op een tweederdemeerderheid in zowel de Tweede als de Eerste Kamer. Kortom: formeel ligt de macht nog gewoon bij het parlement.

Die macht heeft het parlement echter uit handen gegeven door voorafgaand aan het referendum alvast in meerderheid te verklaren dat het zich zal neerleggen bij de uitslag. Een deel van het associatieverdrag is overigens al ingegaan en kan niet meer worden teruggedraaid.

Als deze werkwijze standaard zou worden bij de uitvoering van de referendumwet plaatst de volksvertegenwoordiging zich buitenspel. Wetten en verdragen kunnen na publicatie in het staatsblad door een burgerinitiatief worden aangetast. Dat moet in het vervolg aan de EU-onderhandelingstafels worden meegedeeld: parlementaire instemming met verdragen is per definitie voorwaardelijk aangezien besluiten achteraf buiten werking gesteld kunnen worden.

De enig constitutioneel passende opstelling van het parlement kan zijn om vooraf geen bindende uitspraken te doen over het politieke gevolg van de uitslag van raadgevende referenda – wat premier Rutte namens de regering keurig deed. Natuurlijk moet na de uitslag een debat tussen regering en parlement volgen om de uitslag te wegen en te bepalen of een wet of verdrag aangepast moet worden, maar dit debat moet vrij zijn. Parlementsleden stemmen volgens de grondwet immers zonder last – dus ook niet op last van een dergelijke referendumuitslag.

Nu verkeren Nederlandse politieke partijen in een representatiecrisis. Het aantal leden van partijen is dramatisch afgenomen. Door een groot deel van het electoraat worden partijen gezien als een banencarrousel. Kiezers zijn bovendien op drift, verhoudingen radicaliseren als gevolg van verschillende crises. Bange politici laten hun oren hangen naar ‘de stem van het volk’. Maar politiek is niet voor bange mensen.

Bij een politiek besluit horen alle soorten belangen te worden afgewogen, volgens vastgestelde procedures. De dagpeiling van een referendum is een belangrijke factor, maar kan parlementaire besluitvorming niet zomaar opzijzetten. Anders zou het zijn als het parlement zélf zou besluiten een kwestie via het referendum aan het volk voor te leggen – als een van de constitutionele mogelijkheden van besluitvorming. Dan kunnen voorafgaand aan dat besluit alle soorten belangen en overwegingen worden meegewogen. En raakt de volksvertegenwoordiging niet met zichzelf in strijd.

De manier waarop de huidige referendumwet wordt uitgevoerd, zet de deur wijd open voor populisme, zowel binnen als buiten het parlement. Hoe onverstandig kan een wettig gekozen volksvertegenwoordiging zijn die bij de eedaflegging heeft gezworen (of beloofd) trouw te zijn aan de grondwet die geen referendum kent.

Jan Drentje is historicus aan de Rijksuniversiteit Groningen.