Champagnesocialist versus zwarte lijst

De rode scenarist Dalton Trumbo belandde op Hollywoods zwarte lijst – en ondergroef hem.

‘Bent u nu, of was u ooit, lid van de Communistische Partij van Amerika?’ Deze vraag werd tussen 1947 en midden jaren vijftig talloze malen gesteld. Aan het begin van de Koude Oorlog was de oude angst voor communisten – het Rode Gevaar – flink opgelaaid in Amerika. „Als het aan mij lag, stuurde ik ze allemaal terug”, zei acteur Robert Taylor tegen het net ingestelde House Committee on Un-American Activities (HUAC).

Het HUAC wilde bewijzen dat Hollywood geïnfiltreerd was door communisten die stiekem ‘rooie’ propaganda toevoegden aan films, met als doel het ondergraven van Amerikaanse waarden. Een idee dat de gebroeders Coen dit jaar met satirisch genoegen opvoerden in Hail, Caesar!, waarin een groep scenarioschrijvers met communistische sympathieën een schlemielige acteur (George Clooney) ontvoert en met een paar cocktails ‘hersenspoelt’. Het losgeld gaat rechtstreeks naar Moskou. De infiltratie moest een halt worden toegeroepen, vond de HUAC-commissie, onder wie ambitieus congreslid Richard Nixon en de ijzervretende senator Joseph McCarthy. De heksenjacht op communisten werd geopend.

Het liefst had HUAC ‘friendly witnesses’, mensen die meewerkten en bereid waren tot het geven van namen van vermeende communisten die ze kenden. Andersom kon ook. De beroemdste ‘onvriendelijke getuigen’ waren de ‘Hollywood Ten’, veelal links georiënteerde scenaristen die met een beroep op het Eerste Amendement van de Amerikaanse grondwet weigerden de vraag te beantwoorden of ze communist waren. Voor Dalton Trumbo, de bekendste van de Hollywood Ten, was dat een principekwestie. Welke ideologie hij aanhing, ging niemand wat aan. Zijn toelichting ging echter finaal de mist in, waarna hij en negen anderen werden aangeklaagd wegens minachting van het Congres en elf maanden de gevangenis in moesten. Het was het begin van de zwarte lijst in Hollywood: een stilzwijgende afspraak tussen de studio’s om mensen met communistische sympathieën niet in dienst te nemen. Met alle gevolgen van dien, zoals te zien is in biopic Trumbo: verlies van inkomen, uitsluiting, isolement.

Veel historici en films over de Hollywood Ten (The Front, Guilty By Suspicion) zien de tien ‘radicalen’ louter als slachtoffers van McCarthy’s heksenjacht. Trumbo laat zien dat dit beeld van martelaarschap onterecht is. „I despise martyrdom”, zegt Trumbo (Bryan Cranston); de film toont hoe actief en inventief hij de zwarte lijst ondermijnde. Wat de rebelse scenarist energie kostte, maar ook plezier bezorgde. Met officiële ‘credits’ voor de films Exodus en Spartacus was hij in 1960 ook weer salonfähig.

Maar wat als het HUAC gewoon gelijk had? Dat de Hollywood Ten via hun scenario’s ideologische boodschappen in films smokkelden? Zo kun je bijbelfilm The Robe, geschreven door een van hen, ook zien als metacommentaar op hun eigen vervolging. Met Caligula als McCarthy, een nietsontziende potentaat die het Romeinse Rijk via tribunalen wil zuiveren van christenen (lees: communisten). The Robe werd overigens gepersifleerd in Hail, Caesar! van de Coens, alsmede hun pogingen om rode propaganda in Hollywoodscripts te smokkelen. Dat ging dan zo verhuld dat het niemand opviel.

Hoewel er parallellen zijn tussen het heden en de jaren vijftig, in Dalton Trumbo’s woorden „een tijd van angst”, lijkt McCarthy’s heksenjacht gezien deze biopic vooral voltooid verleden tijd. Trumbo komt over als champagnesocialist en sluwe vos in een schelmenverhaal. Het idee van ‘gevaarlijke radicalen’, zoals roddelcolumniste Hedda Hopper de Hollywood Ten noemde, lijkt nu absurd. Zeker, de zwarte lijst heeft levens beschadigd en carrières gefnuikt. Maar Trumbo won: hij is het martelaarschap allang voorbij.