Swarts laat de cello meesterlijk zingen

Lucia Swarts laat haar cello zingen en knorren. Mayke Rademakers wijdt haar cello-album aan Spaanse en Latijns-Amerikaanse muziek.

Lucia Swarts trakteert je op het ontstaan van de Italiaanse cello.

The Italian origins of the violoncello: dat is precies waar Lucia Swarts, celliste van onder meer de Nederlandse Bachvereniging, de luisteraar op trakteert. De cello maakte in de tweede helft van de 17de eeuw in Italië een enorme ontwikkeling door, die Swarts laat horen aan de hand van verrassend en divers repertoire. Als solostem in sonates van Alessandro Scarlatti en Bononcini, maar óók in begeleidingsrol, in een onbekende kamercantate van Lulier, of in canon met een andere cello.

Gelouterde krachten als klavecinist Siebe Henstra en sopraan Johannette Zomer staan Swarts voortreffelijk bij.

Een van de innovaties was indertijd het omwikkelen van de darmsnaren. Waar je een cellosolo in later eeuwen steevast herkent aan de sprong naar de hoogste snaar, wilde Domenico Gabrielli – zelf cellist – juist álle snaren laten horen. De cello is bij hem in zekere zin een completer instrument, en Swarts laat het in al zijn facetten meesterlijk zingen en knorren.

Ze wisselt Domenico Gabrielli’s prachtige onbegeleide etudes (Ricercares) af met geweldige drieminutensonates van Giuseppe Maria Jacchini: muziekwereldjes in een notendop.

Mayke Rademakers slaat na haar fascinerende cd rond Bachs Cellosuites een heel andere weg in: La Furia is gewijd aan Spaanse en Latijns-Amerikaanse muziek, een oude liefde.

Net als Lucia Swarts wil Rademakers een onbekende kant van haar instrument laten horen, en hoewel de voor de hand liggende namen niet ontbreken – De Falla, Piazzolla, Ginastera – is ook haar album gemêleerd en verrassend. Flamenco en tango vormen de rode draad, maar de variëteit aan gemoedstoestanden en sferen is groot.

Met pianist Matthijs Verschoor weet Rademakers De Falla’s Suite Popular Española perfect te treffen. Ze harkt als een flamencogitarist over de snaren, om even later in het hoogste register een boerenfluitje te imiteren. De reeks Spaanse ansichten van de Cubaan Joquín Nin (vader van schrijfster Anaïs) blijft in vergelijking hangen in braaf exotisme.

Zwaartepunt is de Cellosuite van Gaspar Cassadó, leerling van Pablo Casals. Cassadó’s Cellosuite stamt uit de jaren twintig, maar werd gepopulariseerd door cellist János Starker, van wie Rademakers op haar beurt weer een leerling is.

Het is een heerlijk en divers werk, dat de onvermijdelijke Bach-erfenis en voorzichtig impressionisme combineert met (niet per se Spaanse) folklore, zoals de doedelzakachtige bourdontonen van de Sardana.