Je hebt 11,5 miljoen documenten - en dan?

De media Het nieuws over de Panama Papers belandde maandag op tientallen voorpagina’s tegelijk. Hoe kreeg de klokkenluider dat voor elkaar?

Wie is het lek? Dat weten we niet. Ruim een jaar geleden benaderde een anonieme bron de Süddeutsche Zeitung. Een wervend introductiefilmpje op de site legt uit waarom die anoniem wil blijven. ‘Mijn leven is in gevaar’, tikt de bron in een (gefingeerd) chatgesprek met de krant. ‘We zullen versleuteld communiceren. We zullen elkaar niet ontmoeten. Welke verhalen jullie publiceren, is uiteraard aan jullie.’

Wat begint met een paar stukken groeit in de maanden daarna uit tot een berg van ruim 11,5 miljoen documenten, die bij de Duitse krant binnen druppelen. Over de beweegredenen meldt de Süddeutsche Zeitung alleen dat de bron wil dat de ‘verdorven praktijken’ stoppen. Er zou geen geld voor de informatie zijn betaald.

Hoe bestudeer je miljoenen documenten? Hoe controleer je of de informatie klopt? En hoe zorg je dat de verhalen ook gelezen worden?

De Süddeutsche Zeitung besluit de documenten te delen met een veel omvangrijker journalistieke organisatie: het Amerikaanse International Consortium of Investigative Journalists (ICIJ). Een samenwerkingsverband van ruim honderd journalisten en tientallen mediaorganisaties – dé kans dus om met veel mensen aan één project te werken. En niet onbelangrijk: op tientallen voorpagina’s tegelijk te belanden. Bovendien, het ICIJ had al vaker zijn diensten bewezen. Zo onthulde het in 2014 de ‘Lux-leaks’: honderden multinationals betaalden vrijwel geen belasting dankzij fiscale constructies in Luxemburg.

In Nederland zijn journalisten van onder andere Trouw aangesloten bij het ICIJ. De krant wordt in de zomer van 2015 benaderd. Jan Kleinnijenhuis van Trouw: „Je wordt een beetje lekker gemaakt, over wat je kunt verwachten van de data. En er ging een profiel van Mossack Fonseca rond.” Trouw zegt toe en roept, op aanraden van het ICIJ, hulp in van het Financieele Dagblad. De journalisten die deelnemen tekenen een geheimhoudingsclausule en krijgen via een beveiligd webportaal vanaf september toegang tot de data.

Die data ziet er als volgt uit: voor iedere brievenbusfirma heeft advieskantoor Mossack Fonseca een map aangelegd met daarin meestal duizenden pagina’s met e-mails, overeenkomsten, maar ook gescande documenten, contracten, paspoorten en afbeeldingen. Om die systematisch te kunnen doorzoeken zijn alle stukken door het ICIJ in tekst omgezet en in een database opgenomen. Die data kun je vervolgens scannen op bijvoorbeeld namen van bekende criminelen, van belangrijke politici en sporters.

Nederland

Jan Kleinnijenhuis – als economieredacteur eerder betrokken bij onderzoeksprojecten naar brievenbusfirma’s - tikt als eerste ‘Nederland’ in. Véél te veel hits. Samen met drie andere redacteuren maken ze zich in de maanden daarop de data en de juridische taal eigen. Ze richten zich vooral op Nederland. „Denk aan Nederlanders die actief zijn in belastingparadijzen. Aan Nederlandse partijen, banken, die meewerken aan dit soort constructies.”

De 376 journalisten uit 76 landen die zich op de Panama Papers storten, houden onderling contact via versleutelde kanalen. Jan Kleinnijenhuis en collega’s zitten dagelijks op het beveiligde forum. Volgens Kleinnijenhuis was er geen afgesproken taakverdeling. Er ontstond er al gauw een „natuurlijke verdeling”. „De Russen duiken op Poetin. Argentijnen kijken naar de FIFA.” De afspraak is dat journalisten niet op hun primeur blijven zitten, maar delen. Zo benaderden de Argentijnen al gauw de Nederlandse journalisten. „Zij zagen een lijn met Nederland. En wij weten hoe Nederlandse bv’s werken. Hoe je Kamer van Koophandel-stukken opvraagt en leest.”