Aan lelijke referendumwet ging jaren gedoe vooraf

Reconstructie Over het voorstel van PvdA, D66 en GL voor een raadgevend referendum was jaren getouwtrek: van drempelhoogtes tot waarover mag worden gestemd.

Een vrijwilliger van GeenPeil voert dinsdagmiddag campagne voor het referendum op Het Plein in Den Haag. Foto ANP / Bart Maat

Het is woensdag 6 februari 2013. PVV-leider Geert Wilders vraagt de rest van de Tweede Kamer om snel te stemmen over wat hij een „schitterend” wetsvoorstel van PvdA, D66 en GroenLinks noemt: de wet die het raadgevende referendum mogelijk maakt.

Wilders’ actie is ingegeven door de toespraak die de Britse premier David Cameron dan net heeft gehouden. Hij heeft het Britse volk een referendum beloofd over de positie van Groot-Brittannië in de Europese Unie. Dat wil Wilders voor Nederland ook wel.

Het wetsvoorstel waar Wilders ineens haast mee heeft, maakt zo’n referendum over de positie van Nederland in de EU helemaal niet mogelijk. Volgens die wet zijn alleen nieuwe wetten referendabel. Maar dat maakt Wilders weinig uit en de initiatiefnemers ook niet, want met de expliciete steun van de PVV hebben ze een meerderheid voor hun plan. In beide Kamers.

Nu, ruim drie jaar later, is het zover. Woensdag houdt Nederland het eerste raadgevend referendum, over het associatieverdrag tussen de EU en Oekraïne. Allerlei onderdelen van de wet kregen kritiek: van de opkomstdrempel die niet deugt tot de vraag of de overheid wel subsidie moet uitkeren om daar wc-rollen van te laten bedrukken.

Bepaal met behulp van onze beslisboom of je woensdag moet gaan stemmen en zoja, wat:

Referendumwijzer

Deze referendumwijzer helpt je besluiten of en hoe te gaan stemmen.

Kies een van de antwoorden

De totstandkoming van de referendumwet in vier bedrijven.

Het aantal handtekeningen

Hoeveel kritische burgers zijn genoeg om een raadgevend referendum af te dwingen? De drie Tweede Kamerleden (PvdA, D66 en GroenLinks) die in november 2005 de initiatiefwet indienen, mikken op aantallen „die aansluiten bij eerdere onderzoeken, bij wat al bekend is”. Zo herinnert D66’er Boris van der Ham het zich, één van de drie initiatiefnemers. „Dat wekt bij kritische partijen vertrouwen, was onze overweging.”

De drie baseren zich op een rapport dat dan al dertig jaar oud is. De commissie-Biesheuvel deed in 1984 onderzoek naar de vraag hoe burgers een grotere invloed konden krijgen op regeringsbeleid. Ze adviseren voor een ‘inleidend verzoek’ voor een referendum 10.000 handtekeningen en daarna nog eens 300.000 handtekeningen om het referendum echt te gaan houden.

Te weinig, zeggen critici. CDA, VVD en de ChristenUnie stellen aantallen van 40.000 en 600.000 voor. De drie partijen zijn principieel tegen referenda. Maar als die er toch komen, redeneren ze, dan moeten we het burgers flink lastig maken. „Een referendum is toch geen nieuw rokje dat in een impulsieve bui wordt aangeschaft”, zegt CDA’er Jan Schinkelshoek.

In de senaat – als die over de wet debatteert is het april 2014 – is vooral het CDA kritisch. Het blijkt online maar al te makkelijk om handtekeningen te verzamelen. Kijk naar de ‘pietitie’, zegt de CDA-woordvoerder, de online oproep om Zwarte Piet te laten blijven: binnen 24 uur 700.000 likes op Facebook. Van de voorstanders spreekt D66’er Thom de Graaf twijfels uit over het aantal handtekeningen. Hij vindt de eisen „mild”, in deze tijd van „moderne communicatiemiddelen”. De steun van D66 voor het wetsvoorstel hangt er niet vanaf, zegt De Graaf erbij. Dus het aantal blijft staan op 300.000.

Internationale verdragen

Een ‘nee’ als uitslag zou Nederland internationaal een onbetrouwbare partner maken, zeggen voorstanders van het associatieverdrag nu. Maar tijdens de wetsbehandeling vindt vooral de SP het cruciaal dat Europese verdragen juist wél referendabel zijn.

Het zou toch al te mal zijn, zegt Tweede Kamerlid Ronald van Raak (SP) in februari 2009, dat de indieners naar het succes van het referendum over de Europese Grondwet verwijzen en dat Europese verdragen dan níet onder deze wet zouden vallen.

Zonder de SP is er geen meerderheid. Dus zegt D66’er Boris van der Ham in het debat dat hij bij een raadgevend referendum hierin geen probleem ziet, omdat dat toch „van rechtswege niet iets kan vernietigen”. De regering ergens over adviseren kan altijd, dus ook over internationale verdragen, is zijn redenering. „Ik zie dat de heer Van Raak al helemaal blij is.”

De vraag wat deze reikwijdte van de wet ‘doet’ voor de positie en reputatie van Nederland in het buitenland komt niet langs. De senatoren spreken er in hun debatten helemaal niet over – de SP-fractie checkt in de schriftelijke vragenronde nog eens of Europese verdragen inderdaad referendabel zijn.

De 2 miljoen euro subsidie

Bij het referendum over de Europese Grondwet was de campagnesubsidie „een groot succes”, vinden de indieners. Dus stellen ze een subsidieregeling voor: maximaal 2 miljoen euro.

Belastinggeld dat beter besteed kan worden, mopperen het CDA en de SGP. Maar die twee partijen zijn toch tegen de hele wet, dus met hun kritiek gebeurt weinig. In de Tweede Kamer vraagt alleen PvdA’er Pierre Heijnen zich hardop af of zo’n subsidieregeling de aandacht niet afleidt van de echte referendumvraag. „Het instrument mag geen schade oplopen door het gedoe eromheen”, zegt Heijnen. Alsof hij de bedrukte wc-rollen ziet aankomen.

Heijnen krijgt het schrappen van de subsidie er niet doorheen, ook al staat zijn naam nota bene later onder het initiatief. „We moesten allerlei wensen honoreren”, zegt Heijnen er nu over.

In de senaat blijft het bij een paar opmerkingen, van CDA en D66: maatschappelijke bewegingen zijn toch zelf in staat om campagnes te voeren, daar hebben ze toch geen overheidssubsidie voor nodig? Klopt, zeggen de indieners, strikt noodzakelijk is het niet. Maar wel „zeer gewenst” om het publieke debat te stimuleren. De subsidie blijft.

De 30-procentsdrempel

CDA, VVD en de ChristenUnie proberen in 2009 in de Tweede Kamer al een opkomstdrempel in de wet te fietsen: pas bij een opkomst van 60 procent moet het referendum gelden. De drie Tweede Kamerleden die de wet in die tijd verdedigen, in 2010, zijn hier principieel op tegen. Paul Kalma (PvdA) zegt in het debat: „Opkomstdrempels suggereren, als ze worden gehaald, een verplichtendheid die raadgevende referenda niet mogen hebben.”

In de senaat denkt collega-PvdA’er Ruud Koole hier anders over. Hij noemt de opkomstdrempel in april 2014 een „noodzakelijk” onderdeel. Een referendum als aanvulling op de parlementaire democratie is nodig, zegt Koole, maar wel „onder voorwaarden”.

De Tweede Kamerleden die de wet in de senaat verdedigen, inmiddels (weer) drie anderen, hebben snel door dat de PvdA-fractie zonder opkomstdrempel niet instemt met hun wetsvoorstel. Ze zien in: het wordt een wet mét opkomstdrempel of helemaal geen wet.

Koole noemt tijdens het debat al een concreet percentage: 30 procent. Een enigszins arbitrair getal, geeft hij toe. Maar geen van de drie indieners heeft principiële bezwaren. Ze zeggen de senaat een reparatiewet toe: alleen als 30 procent van de kiesgerechtigden komt opdagen, is het referendum geldig.

Boris van der Ham vindt de opkomstdrempel die zijn opvolgers hebben geaccepteerd een „gotspe”. De wens om de wet binnen te halen was groot, met de finish in zicht, zegt hij. „Zo’n drempel wekt de suggestie van bindendheid. Op de korte termijn heb je een wetje op je naam, leuk, maar op de lange termijn holt dit het vertrouwen van kiezers uit. De les van dit referendum is: ga nooit voor een suboptimale oplossing.”