Bombino: een woestijnnomade die reggae maakt

Bombino De Afrikaanse gitarist Omara ‘Bombino’ Moctar kreeg ook voor zijn derde album hulp van Amerikaanse rockers. Een skypegesprek, over de schoonheid van de woestijn

Bombino: „Ik mis de eenzaamheid van de woestijn.” Foto Vittorio Catti

Wat doet een woestijnnomade met een gezichtssluier en tulband in Woodstock? Een plaat opnemen. Het derde album van Toeareg-rocker Bombino (1980) dat deze week verschijnt, kwam tot stand in de omgebouwde boerderij van Applehead studios, iets buiten New York. Maar de muziek komt uit de Sahara.

Bombino uit Niger blijft Amerikaanse rockers fascineren. Voor zijn eerste album kreeg hij nog hulp van Keith Richards, zijn tweede nam hij op in Nashville met Dan Auerbach (Black Keys), Azel werd geproduceerd door David Longstreth (Dirty Projectors) die meer gebruikmaakt van westerse songstructuren. De hobbelende woestijnbeat klinkt soms bijna als stadionrock, dan weer als een picknick op een kleedje ver van de bewoonde wereld.

Via Skype beantwoordt de zachtmoedige Bombino vanuit Parijs de vragen vanachter een kopje thee. Hij zegt niet veel. Totdat het over de woestijn gaat.

Woodstock is niet bepaald de Sahara. Hoe beïnvloedt die omgeving de muziek op het album?

„We zijn drie jaar op tour geweest door Europa en Amerika, dat lijkt eigenlijk heel veel op het nomadische bestaan van de Toearegs. En Woodstock is het platteland, er liepen geiten rond en een gigantisch zwijn. Maar het is waar, ik mis de eenzaamheid van de woestijn. Gelukkig hadden we tijd, we hebben ons afgezonderd. Dat zorgde er bijvoorbeeld voor dat we een nieuwe vorm konden ontwikkelen: Toeareggae.”

Paste reggae zo maar in de traditionele woestijnbeat uit Niger?

„Onze percussionist heeft daar heel lang naar moeten zoeken. Bob Marley was een van de artiesten waar we vroeger veel cassettebandjes van hadden in Niger, maar de traditionele Toearegbeat is ontstaan ter ondersteuning van de zangstijl, daarom was het vooral moeilijk om de gitaarmelodie en de zanglijn naar reggae om te zetten.”

Onze correspondent Bram Vermeulen was vorige maand in Agadez, uw thuisstad, een belangrijke doorvoerhaven van immigranten. Hij beschreef de woestijn als levensgevaarlijk. Op het album waarschuwt u voor de reis, maar laat het ook klinken als een romantische tocht.

„Het is levensgevaarlijk, daarom zing ik erover. Mensen nemen die route, want er is geen andere manier, maar je moet de woestijn heel goed kennen en je oriënteren op de sterren. Voor de oorlog in Mali namen we vaak toeristen mee door de woestijn. Nu is er geen werk meer, behalve het vervoeren van migranten. Weet je, de woestijn is prachtig. Die leegte. Het is beter dan in Amerika. Wat ze daar een woestijn noemen… op twee uur rijden is er altijd een dorp. In Niger, Algerije en Libië heb je nog verlatenheid. Maar dat maakt het ook levensgevaarlijk.”

U zingt een nummer voor de martelaren van de Toeareg-opstand van 1990-1995. Verlangt u terug naar de vrijheidsstrijd?

„Nee. De rebellen hebben veel voor ons gedaan, in Niger zijn Toearegs nu een geaccepteerde bevolkingsgroep die is vertegenwoordigd in de regering. De oorlog heeft veel levens gekost, maar het was nodig. Door die opstand in de jaren negentig ben ik gitaar gaan spelen. Ik moest vluchten en in het kamp pakte ik voor het eerst een gitaar op. Ik weet nog hoe gelukkig ik me toen voelde, door alle ellende heen.”