‘Alle emoties zitten in mijn lijf’

Tessa Jonge Poerink (24) is actrice. Dat was geen vanzelfsprekende keuze voor iemand van 1 meter 25, maar ze liet zich niet door haar lengte belemmeren. ‘Ik heb er nooit aan getwijfeld dat het kon.’

Tessa Jonge Poerink Foto: Andreas Terlaak

Het was Anneke Blok en haar woeste schreeuw van verdriet in De Wilde Eend van Ibsen, waardoor ze het zeker wist: dit ga ik ook doen. Dat ze 1,25 meter lang is, zag Tessa Jonge Poerink (24) nooit als een belemmering. „Ik wilde al zo lang als ik me kon herinneren actrice worden. Toen ik Anneke Blok zag, werd die wens opeens heel concreet. „Ze speelde een moeder die haar kind verliest en je zag alle emoties door haar lijf trekken. Ik was dertien en ik dacht: jij bent zo goed, ik wil net zo worden als jij.”

Nu speelt Tessa Jonge Poerink een rol in In mijn hoofd ben ik een dun meisje van NTjong. Een confronterende en wervelende jeugdvoorstelling over hoe het schoonheidsideaal meisjes onder druk zet. Ze is nog niet eens afgestudeerd, maar met haar krachtige uitstraling maakt ze onbetwist indruk. In de pers werd ze ‘misschien wel de sterkste troef’ en ‘de ster van de voorstelling’ genoemd.

Je wilde graag actrice worden. Waar haalde je de moed vandaan om die ambitie na te jagen? Dat lag niet voor de hand.

„Nee. Maar zelf heb ik dat nooit zo gezien. Ik heb er gewoon nooit aan getwijfeld dat het kon. Ik dacht simpelweg: ik wil actrice worden en dat ga ik doen. Spelen gaat over menselijke emoties en over menselijk gedrag. En ik ben een mens, dus ik kan dat allemaal vorm geven. Eerlijk gezegd heb ik mezelf nooit als anders gezien. Ik heb altijd gewoon met alles meegedaan. Verder ben ik een bijdehand type dat er hard voor vecht als ze iets wil. En dan kunnen mensen moeilijk kijken en zeggen: weet je het wel zeker? Maar dan denk ik alleen maar: wacht maar!”

Was je altijd al zo of ben je zo geworden?

„Ik ben altijd zo geweest. Ik heb het geluk gehad dat ik een fijne jeugd en een goede opvoeding heb gehad. Ik heb een jongere zus en broer, ik ben de enige die klein is. Mijn ouders hebben mij nooit behandeld alsof ik anders was. Dat is heel goed geweest, want in de wereld zal ook niemand zich aan je aanpassen. Daardoor werd ik een vechtertje. Maar ik denk dat het ook in mijn karakter zit.

„Ik was als klein kind al pittig. Mijn ouders zochten met veel zorg een school voor me uit in de hoop dat ik niet gepest zou worden. Toen ik op die school zat, kregen ze te horen dat ik degene was die daar de boel op stelten zette. Ik kon als kleuter al zo hard van me afbijten dat niemand mij durfde te pesten. Ik zorgde dat ik ze altijd voor was. En ik was een sociaal kind. Ik heb altijd leuke vriendinnen om me heen gehad.”

Wanneer realiseerde je je dat je er anders uitzag dan de andere kinderen?

„Toen ik naar de basisschool ging. Ik kan me dat moment zelf niet meer herinneren, maar mijn moeder heeft me verteld dat ik haar toen vroeg waarom iedereen langer was dan ik. Toen ze me zei dat ik klein zou blijven, heb ik gehuild, maar dat duurde eigenlijk maar kort. Mijn moeder troostte me en daarna ben ik weer gaan spelen.”

Een leven als klein mens lijkt me toch niet altijd even makkelijk.

„Er wordt elke dag naar mij gekeken en op mij gereageerd. Altijd. Maar ik let er niet meer op. Het hoort bij mijn leven, het is er gewoon. Ik zeg niet dat het nooit vervelend is, maar ik heb er niet elke dag last van. Het ligt een beetje aan hoe ik me voel. Soms snap ik ook dat mensen kijken. Zeker als het om kinderen gaat. Zij hebben misschien nog nooit zo iemand als ik gezien en natuurlijk stellen ze dan vragen.”

Wat vind je het vervelendst?

„Jongeren. Studenten. Die gaan dan met zijn allen roepen, joelen, elkaar aanstoten en me uitlachen. Dat doen ze alleen als ze in een groep zijn, het is gewoon groepsgedrag. Maar er is ook altijd wel iemand bij die zegt: doe effe normaal! Ik ga er nooit op in. Ik heb geen zin om daar energie aan te besteden.”

Voelde je je onzeker of je aangenomen zou worden op de toneelschool?

„In het begin wel. Ik heb bij alle scholen auditie gedaan en bij verschillende daarvan ging ik gewoon door naar de volgende ronde. Toen wist ik dat ze me niet op grond van mijn lichaam zouden afwijzen. Bij de toneelschool in Arnhem vroegen ze me pas toen ik was aangenomen: hoe zit dat met jouw lijf, kun je alles?”

Zijn er dingen die je niet kunt?

„Nee. Haha! Ik kan alles spelen wat ik wil. Maar ik moet wel oppassen. Wat ik heb, is een botgroeistoornis en daardoor kunnen mijn knieën en rug sneller overbelast raken.”

Zijn er momenten geweest dat je hebt geworsteld op de toneelschool?”

„Jawel. Ik ben in het tweede jaar blijven zitten. Het tweede jaar is veel analytischer, dan ga je teksten doornemen en kijken: wat staat er nou echt? Dat vond ik zo moeilijk. Dat maakte me onzeker en daar kwam ik op een gegeven moment niet meer uit. Ik mocht het jaar overdoen en toen viel het kwartje gelukkig. Ik ben blij dat ik die tijd heb gekregen. Het hielp me om uit te vinden wat voor actrice ik ben.”

En wat voor actrice ben je?

„Ik ben een speelse, brutale actrice. En ik ben een fysieke speler, dat is het gekke. Ik speel alles vanuit mijn lijf. Ik doe dingen met dans, met grote bewegingen. Dat verrast mensen. Maar voor mij zitten alle emoties in mijn lijf.”

Ben je niet bang gecast te worden in rollen juist omdat je klein bent?

„Nee, dat heb ik zelf in de hand. Ik word wel eens gevraagd voor films, om bijvoorbeeld mee te lopen in een circusparade, in een freakshow-achtige sfeer. Dat doe ik nooit. Als het een rol is die ieder klein mens kan spelen, doe ik het niet. Als ik er als actrice een bepaalde waarde aan kan geven, dan wel.” Ik word trouwens regelmatig gevraagd voor rollen die niets met mijn klein-zijn te maken hebben. In de tv-serie A’dam-E.V.A. speel ik gewoon een maatschappelijk werkster.”

Zijn er rollen die je graag zou willen spelen?

„Nee. Er zijn wel theatermakers met wie ik graag zou willen werken, zoals Suzan Boogaerdt en Bianca van der Schoot (theatergroep Oostpool, red.). Zij kiezen geëngageerde thema’s en gebruiken de kunst om echt iets te zeggen. Dat doen we ook in In mijn hoofd ben ik een dun meisje. Het gaat over uiterlijk en dat vind ik een belangrijk thema. Het schoonheidsideaal is in onze samenleving een religie geworden. Mensen worden daar zo onzeker van.”

Je hebt met twee medestudenten een gezelschap opgericht dat jullie Moskoek hebben genoemd. Vorig jaar stonden jullie op de Parade.

„We hadden gewoon een plan voor een voorstelling ingestuurd en mochten op gesprek komen. En toen wilden ze ons opeens hebben. We kregen een tent en lampen en verder was het: zoek het maar uit. Dat was eng maar ook geweldig.

„Die voorstelling ging over hoe ver entertainment kan doorslaan. We speelden showgirls die zich uiteindelijk ophangen terwijl het publiek vrolijk de maat klapt. Ik houd van rauw, energiek, brutaal toneel. Ik zou graag met Moskoek op Oeral spelen, op locaties in de natuur.”

‘Alles in onze samenleving gaat op een verkeerde manier over seks’

Over welke thema’s zou jij theater willen maken?

„Uiterlijk is een thema waar ik nog meer mee zou willen doen. En seksualiteit. Dat alles in onze samenleving op een verkeerde manier over seks gaat, vind ik zo heftig. Dat meisjes daarvoor worden gebruikt, in videoclips en reclames. Dat dat werkt. En dat pubers daar naar kijken en denken dat het normaal is dat vrouwen halfnaakt om een auto kronkelen. Daar kan ik echt boos om worden.”

„Neem nou zo iemand als Beyoncé. Zij staat in de meest ordinaire pakjes met haar kont te schudden. En toch zegt ze dat ze een feministe is, dat ze voor vrouwen is. Maar die boodschap hoef je toch niet met seks te verkopen? Dat vind ik zo erg, omdat veel jonge meisjes naar haar opkijken.”

Is die ergernis bij jou misschien extra sterk?

„Ik denk het wel. Het gaat mij nog meer aan het hart.”

Je zegt dat je een fysieke actrice bent. Denk je nooit: had ik maar lange armen en benen?

„Nee. Daar ben ik niet mee bezig. Ik denk nooit: was ik maar groot. Ook omdat ik dat een enge gedachte vind. Want misschien valt het wel heel erg tegen.”