Echt alles wordt voor je uitgelegd

Het is interessant wat Sara Taylor (1988) doet in haar debuutroman; het opentrekken van een stijlregister van heb-ik-jou-daar. Hoofdstukken in eerste, tweede en derde persoon, in verleden en tegenwoordige tijd, hoofdpersonen van alle leeftijden. Historische hoofdstukken, het vroegste speelt zich af in 1876, worden afgewisseld met je reinste sciencefiction (jaartal: 2143). Rauw realisme staat naast een verhaalwerkelijkheid waarin personages over magische kwaliteiten beschikken. De vorm van de roman leent zich ervoor, die bestaat uit dertien korte verhalen over diverse momenten in de stambomen van twee families, met elkaar verbonden door één oermoeder. Gemene deler in de verhalen is de omgeving – ‘De Kust’ is een eilandengroep bij Virginia – en, het ‘oermoeder’ gaf ’m al weg, de vrouwen.

De Kust is een ruige plaats, zeker als je uit een arm nest komt. Onder de rook van een kippenslachterij die vreselijke stank veroorzaakt, groeien Chloe en Renee op, twee zussen met een verdwenen moeder en een crack rokende, meppende vader. Ze moeten het zelf zien te rooien. Niet alleen hun familie is gevaarlijk, maar ook de buurtkinderen en zelfs de honden die er op het eiland rondlopen. Het verhaal over de zusjes is tekenend, voor het landschap, de ruigheid.

Ondanks die armoe en woestenij slagen maar weinig personages erin de eilanden te verlaten; het is hun thuis, alsof hun voorvaderen ze bij de enkels vasthouden. Het landschap wordt bezongen als zacht en groen, met modder als fluweel en dagen die zo helder zijn dat je de volgende dag al kunt zien aankomen. Soms mooi, maar vaak al te uitvoerig en clichématig. Alsof Taylor bang was dat de lezer het zou missen.

Dat laatste springt vaker in het oog. Hoewel het aangenaam is het overzicht, ondanks de veelheid aan personages en verhaallijnen, niet te verliezen, is de uitleg te overvloedig. Niet alleen als het gaat om wie op welke wijze tot een ander is gerelateerd, maar ook op het vlak van motieven en plot; geen vraag blijft onbeantwoord en geen steen blijft onomgekeerd. Zo vindt er in één van de hoofdstukken een ruzie plaats tussen een broer en zus, waarin hun jarenlange lange zwijgen na de dood van hun moeder tot op de draad geanalyseerd wordt, zo uitleggerig dat het gekunsteld aandoet. Opdat de lezer niet per ongeluk zelf een conclusie trekt over wat er door kinderen heen kan gaan na het verlies van een ouder.

Ook overduidelijk is het sterke-vrouwen-motief. Wat opvalt is dat die vrouwen desondanks steeds door een ander uit de penarie geholpen worden. De oermoeder, Medora, als beginpunt. Zij is half native, en wordt nogal flagrant exotisch omschreven. Ze vlucht voor haar wrede echtgenoot en valt prompt in de armen van een zachtaardige held. Een traditie van mishandeling en (soms incapabele, vooruit) redders (m/v) zet zich zo generaties voort, tot één van haar nazaten als een soort zwarte weduwe een dystopische toekomst afschuimt, op zoek naar een man die haar wil bevruchten – hij zal sterven aan een ziekte die zijn geslachtsdelen opvreet. Tsja. Gered worden hoeft niet meer, als je de enige overblijver bent.