Wat is het leven waard als je nergens in gelooft?

We geloven allemaal in ideeën en denkbeelden, dat is niets bijzonders. Liefde, democratie, solidariteit, autonomie – noem maar op. Je hoeft helemaal niet religieus te zijn om ergens in te geloven. En sommige van die ideeën vinden mensen heel belangrijk, soms zelfs belangrijker dan hun eigen leven: vrijheid, of het uitbannen van onrechtvaardigheid. Er zijn jonge mensen in Syrië, die hun leven riskeren om de wereld op de hoogte te stellen van wat daar gebeurt, in de hoop zo bij te dragen aan het beëindigen van een wrede dictatuur.

Wie nergens in gelooft, houdt weinig over dat het leven de moeite waard maakt. Zoals die man laatst op de televisie die beweerde dat we hier zijn ‘om het leuk te hebben’. En dat hij zijn vrouw niet in een verpleeghuis op ging zoeken als ze helemaal dement zou zijn geworden, want die persoon daar zou zijn vrouw niet meer zijn.

Iemand die zulke dingen zegt, gelooft niet echt meer ergens in. Evenmin als een zorgverlener die zegt ‘dat is uw probleem’ als alles mis dreigt te lopen. Die gelooft helemaal niet in ‘zorg’. Geloof in abstracties maakt dat we een ethische dimensie in ons leven kennen, het gevoel dat dingen belangrijk zijn, ertoe doen.

Tegelijkertijd wordt ‘geloof’ maar al te vaak ingezet om juist niet na te denken: wij geloven nu eenmaal dat homoseksualiteit slecht is, dat niet-moslims gedood moeten worden, dat asielzoekers eigenlijk profiteurs zijn. Want dat is ergens gelezen of gehoord.

Maar een geloof is niet alleen een veilig bezit, waaraan nooit meer iets veranderd hoeft te worden. Je kunt wel in ‘democratie’ geloven, maar wat dat betekent, verandert. De Atheense democratie zag er anders uit dan de onze. De Middeleeuwse kerk predikte andere dingen dan de hedendaagse.

Zo, met pijn en gevoelige opmerkzaamheid, verandert geloofsinhoud

Voorafgaand aan zijn geweldige roman-vierluik Jozef en zijn broers, schrijft Thomas Mann over geloofsintelligentie: het vermogen om te zien dat de tijden en het beeld van de waarheid veranderen, en om zich daaraan aan te passen. Halsstarrig vasthouden aan het oude noemt hij ‘godsdomheid’ en een ‘zonde’.

In de roman wordt dat schitterend geïllustreerd door de manier waarop er over het offer van Isaak wordt gesproken. Aartsvader Jaäkob vertelt zijn lievelingszoon Jozef dat hij zich inbeeldde dat hijzelf Abraham was en dat God van hém zou vragen om zijn liefste zoon, Jozef dus, te offeren. Natuurlijk zou de Allerhoogste dat recht hebben, zegt Jaäkob, want andere goden vragen en krijgen ook kinderoffers, dan kan de allerhoogste dat al zeker. Aan gehoorzaamheid ontbreekt het hem niet.

Maar zegt Jaäkob, toen ik me voorstelde dat ik jou op het offerblok zou leggen, en dat ik het mes tegen je keel legde, toen voelde ik hoe mijn arm krachteloos werd en ik viel op de grond en ik riep tegen de Heer „Dood u hem zelf maar.” Jaäkob kon het niet. Hij voelt zich daarover schuldig: weliswaar heeft hij tot zijn vreugde zijn kind behouden, maar hij heeft zijn God verloren.

Zijn slimme jonge zoon zegt dat hij het niet zo moet zien. Het is anders, zegt Jozef, mijn vadertje beeldde zich dat in om te voelen dat de Allerhoogste zoiets juist niet van hem zou vragen. Die zou zeggen: ik ben toch zeker niet een of andere Baäl! „Wat ik beval, heb ik niet bevolen om het je te laten doen, maar om je te laten ondervinden dat je het niet zou doen, omdat het eenvoudigweg een gruwel is voor mijn aangezicht: hier heb je overigens een geitenbokje.”

Zo, met pijn en gevoelige opmerkzaamheid, verandert geloofsinhoud.