Blijf weg bij eenzame mensen

Is eenzaamheid beter te verwoorden of te verbeelden? En hoe zit dat met de dood – het ultieme moment van eenzaamheid?

Automat (1927) van Edward Hopper Beeld Hollandse Hoogte/Corbis

Het is 30 oktober 1985 wanneer Andy Warhol zijn fotoboek America signeert in de New Yorkse boekhandel Rizzoli. Pen in de aanslag, pruik scheef op het hoofd, plakband in stroken eronder om de haardos een beetje in bedwang te houden. Voordat hij er erg in heeft gebeurt het: een meisje springt naar voren en grist de pruik weg. Even is de kale Warhol beduusd, dan trekt hij de capuchon van zijn Calvin Klein-jas over zijn hoofd. Maar het leed is al geleden: het plakband waarmee hij zijn haardos in stand hield, heeft hem in de steek gelaten. Pas dagen later durft hij het voorval op te nemen in zijn dagboek en omschrijft hij de gebeurtenis als een marteling. ‘Dit was niet zomaar geweld tegen zijn persoon: de delen waaruit hij bestond waren losgetrokken, letterlijk uit elkaar gehaald’, omschrijft essayist Olivia Laing (1981) het voorval in haar boek De eenzame stad – een zoektocht naar eenzaamheid en de rol die ze speelt in de kunst.

Psychiater Harry Stack Sullivan omschreef in 1953 eenzaamheid ooit als ‘de bijzonder onaangename, sterke ervaring die verband houdt met de onvoldoende vervulde behoefte aan menselijke intimiteit’. Het is een definitie die volgens Laing nog voldoet, zeker bij iemand als Warhol die uit vrees voor zijn eigen lelijkheid (lichamelijke) intimiteit op afstand hield. Zelf voegt Laing er een minder abstracte gedachte aan toe: eenzaamheid is honger hebben ‘terwijl iedereen om je heen lekker gaat smikkelen’. Ook koppelt ze eenzaamheid aan het gevoel van isolatie, uitsluiting en het gebrek aan hechting, zowel fysiek als mentaal. Die gedachte werkt ze verder uit aan de hand van de beeldend kunstenaars Andy Warhol, Edward Hopper, Henry Darger en David Wojnarowicz.

Bij Hopper vindt ze de eenzaamheid gekoppeld aan isolement. Met zijn schilderijen roept hij empathie op voor de man of vrouw die zich achter of tussen muren weggestopt voelt; weggestopt omdat je ondraaglijk te kijk staat. Het isolement van de stad en het wegwerken van jezelf is wat Laing ook ervoer toen ze zelf naar New York verhuisde. In elk hoofdstuk verkast ze naar elders in de stad, naarstig op zoek naar ruimte om zichzelf te vinden en in contact te komen met haar omgeving. Dat laatste lukt niet echt, ondanks de empathie die Hopper toch lijkt te bieden. Eenzaamheid is ook niet geschikt voor empathie, concludeert ze. Eenzaamheid komt voort uit de apathie van de omgeving.

Het meest directe contact vindt Laing nog op internet, maar het brengt niet veel meer dan mededelingen als ‘teringwijf, je vraagt erom verkracht te worden’ of een foto van een man in een geruite cape met een penis in vol ornaat. De global village maakt eenzaam, ervaart Laing – daar doet een Hopper niets aan.

Hopper kan vanwege zijn intellectuele afstand geen redding brengen, dus gaat Laing op zoek bij Warhol, outsider-artist Darger en schilder, fotograaf en aidsactivist Wojnarowicz. Alle drie waren eenzaam, outcast en katholiek. Hun eenzaamheid komt vooral voort uit het besef niet gelijk te zijn aan de rest: de ‘tovercirkel van acceptatie en toegelaten worden’, noemt Laing dat. Ze geven hun eenzaamheid vorm: Warhol door reproduceerbaarheid te laten zien, Darger door een compenserend universum te creëren – schilderijen vol kindertjes, bloemen en vlinders – omdat hij machteloos was in zijn isolement (hij werd als pedoseksuele psychopaat gezien en schreef dreigbrieven aan God) en Wojnarowicz die de overstap maakt van vernieling naar schepping (hij naaide letterlijk zijn kunstwerken in elkaar) – hij wilde de isolerende werking van een homogene wereld tonen.

De onthechting die deze kunstenaars ervaren, proberen ze weer aan elkaar te lijmen: Warhol, Darger en Wojnarowicz plakken wat kapot is gemaakt weer aan elkaar – door collages te maken en zo een nieuwe wereld te creëren. Of zoals bij Warhol die zichzelf in elkaar knutselt, met een beschilderd chirurgisch korset dat het bovenlichaam omspant, en met plakband voor zijn valse haardos.

Het verlangen naar intimiteit drijft alle drie tot scheppen, maar datzelfde verlangen wordt ze fataal. Darger sterft eenzaam en gevreesd om zijn agressieve schilderijen vol terreur en gemartelde kinderen. Warhol raakte gewond toen hij werd neergeschoten door de radicale feminist Valerie Solanas, die zelf in 1987 de eenzaamste dood sterft die er is: ze wordt na drie dagen in een flat gevonden omdat ze een huurachterstand heeft. Wojnarowicz wordt gemeden voordat hij sterft aan aids. Eenzaamheid was altijd al een stigma, dankzij aids was dat stigma nu ook nog zichtbaar op een mager lichaam en een huid vol vlekken.

Schitterend is de manier waarop Laing de angst voor de aidsepidemie beschrijft en hoe kunstenaars als Wojnarowicz en pop-countertenor Klaus Nomi in een verder isolement worden gestort: letterlijk, ze zijn melaats. Iemand als Nomi die als Duitse homo naar de Verenigde Staten kwam en om zijn anders-zijn maar te benadrukken in alien-kleren aria’s ten beste gaf, werd zijn eigen kunstwerk door er nog ‘buitenaardser’ uit te gaan zien om zo zijn totale eenzaamheid te verbeelden. Hij was in 1983 een van de eerste aidsslachtoffers.

Wojnarowicz, die 37 jaar werd, ‘verwoordde in zijn kunst wat het is om niet slechts buiten de samenleving te staan, maar actief tegen de beperkingen van die samenleving in te gaan, en de intolerantie ervan jegens andere levensvormen te bestrijden. De beste manier die hij kon bedenken om die strijd aan te binden was het openbaar maken van de waarheden omtrent zijn eigen leven, werk te maken dat zich verzette tegen onzichtbaarheid en stilte, tegen de eenzaamheid als gevolg van andermans ontkenning van je bestaan, van geschrapt worden uit de geschiedenis, die nu eenmaal niet het domein is van de gestigmatiseerde mens maar van de normale.’

Laings zoektocht is fascinerend en ontroerend. Ze verdiept zich in de werken en de levens van de kunstenaars die haar aanspreken en wellicht antwoord geven in wat je tegen eenzaamheid kan doen. Niets, zo blijkt. Je kan #eenzaamheid op Twitter zetten, maar dan word je niet geretweet, weet Laing. Eenzaamheid is er omdat we bang zijn voor contact, zelfs wanneer het evident is dat iemand eenzaam lijkt.

Dat geldt overigens ook voor Laing zelf. Op een dag praat ze even met een veertiger in een portiek. Drie dagen heeft niemand tegen hem gesproken, vertelt hij haar, mensen gooien af en toe alleen wat muntjes in zijn richting. Ze hoort zijn verhaal aan, geeft hem vijf dollar en vertrekt. Beter had Laing haar zoektocht niet kunnen treffen. Kunst kan de angst voor de ander niet opheffen of verbeelden, maar wat de kunstenaars van Laing wel hebben gedaan, is zich niet voor hun eenzaamheid schamen. Natuurlijk is de interpretatie van het leven en werk van de kunstenaars die ze behandelt grotendeels projectie van Laing zelf, maar desondanks: Eenzame stad is wel hele mooie projectie. Laing en haar kunstenaars geven de eenzaamheid een stem.

Opvallend is dat Laing in haar zoektocht nauwelijks literaire auteurs meeneemt. Beeldende kunstenaars en musici helpen haar kennelijk beter op weg. Zou het zo zijn dat eenzaamheid makkelijker te verbeelden is dan te verwoorden? En komt dat doordat eenzaamheid, tot Laings ergernis, steeds vaker tot een chemisch proces wordt gereduceerd, dat zich net als de beeldende kunst in de rechterhersenhelft afspeelt , terwijl schrijven eerder een verstandelijk proces is?

Katie Roiphe (1968) gaat in haar essaybundel The Violet Hour in op het verwoorden ervan. Net als Laing bestudeert ze enkele beroemde levens, waarbij ze zich richt op het stervensuur – een ultiem moment van eenzaamheid. Roiphe boog zich over de levens van Susan Sontag, Maurice Sendak, Dylan Thomas, John Updike, James Salter en Sigmund Freud. Allemaal mensen die tijdens het leven een behoorlijke obsessie met de dood hadden. Roiphe was benieuwd hoe je sterft nadat je je leven lang hebt geprobeerd je de dood voor te stellen. Zoals bij Laing de eigen eenzaamheid de drijfveer was, is ook Roiphe gedreven door de eigen ervaring – een jeugd waarbij ze dood leek te gaan aan longklachten én de angst toen ze vier uur lang niet wist of haar pasgeboren dochter kracht van leven had. De rode draad in de essays is of de door haar onderzochte auteurs troost vonden of in diepe ellende en eenzaamheid vervielen.

Gek genoeg speelt eenzaamheid een ondergeschikte rol bij de kunstenaars van Roiphe. Zelf ervaart ze die wél op het moment dat ze met haar dochter van twee kilo op een ziekenhuisbed zit om van de artsen te horen of het kind, maar ook zijzelf (er is iets met haar hart), het gaat redden. Haar man is afwezig. Hij zit voor zijn werk in het buitenland. ‘We zouden nog twee jaar bij elkaar blijven’, schrijft Roiphe.

Van de auteurs leert ze dat Sontag er alles aan deed om niet te sterven, domweg ‘omdat ze zich niet kon voorstellen dat er íets kon zijn zonder haar’. Updike boog zich over een laatste gedicht nadat hij wist dat hij longkanker had. ‘Schrijven was troost, vluchten, bescherming.’ Freud weigerde pijnstillers omdat hij bij de tijd wilde blijven. Dylan Thomas zoop zich een coma en was zich uiteindelijk nergens van bewust – terwijl hij juist zo lang bezig was geweest met hoe zijn einde eruit zou zien. En Sendak ziet er na zijn dood ontspannener uit dan tijdens zijn leven.

Knap, maar minder op de huid dan Laing, koppelt Roiphe het werk van deze stervenden aan hun laatste maanden of dagen. Een opmerkelijk detail is dat veel auteurs zich op het laatste moment graag uit Tolstojs De dood van Ivan Iljitsj laten voorlezen. Wellicht dat ze daarin hun ultieme moment van eenzaamheid verwoord zagen. Tolstojs verhaal is immers bekend om het gevoel van huichelarij en eenzaamheid dat Iljitsj overvalt vlak voordat hij sterft. Mooi is het gesprek dat Roiphe aan het slot heeft met James Salter, enkele jaren voordat hij sterft aan een hartaanval. Hij gelooft niet in een pijnloze dood en betwijfelt ook of doodgaan tijdens je slaap wel de beste manier is, zoals de meeste mensen denken. Het is toch een belangrijk moment, stelt hij, waar je bij wil zijn.

Alle stervenden bij Roiphe lijken op zoek naar troost – en die vinden ze in de dood, waarmee ze ook de remedie voor eenzaamheid lijken te vinden. Laatste woorden, ondanks dat ze vaak vrij banaal zijn, blijken nodig. Verwoorden maakt de dood minder eng, terwijl het verbeelden van de eenzaamheid een gapend gat blijft. Of zou het zo zijn dat iets verwoorden troostrijker en minder angstaanjagend is dan verbeelden? Domweg omdat we op het laatste moment in de woorden van Salter ‘our own comfort’ maken.