Hier zijn alle Vlamingen kampioen

Vijf keer reed Peter Vandermeersch op de motor als seingever mee in het volksfeest dat de Ronde van Vlaanderen heet. Het waren enkele van de mooiste dagen van zijn leven.

Winnaar in 2014 Fabian Cancellara (L) en Sep Vanmarcke (R) in actie tijdens de Ronde van Vlaanderen. Hier op de Paterberg. Bas Czerwinski/ANP

Vijf keer heb ik de Ronde van Vlaanderen mogen rijden. De mooiste wielerkoers ter wereld, waarvan je de naam met hoofdletters schrijft en met respect uitspreekt. Als Vlamingen het over ‘de Ronde’ hebben, dan weet iedereen over welke koers ze spreken. Je hebt één Tour, één Giro, één Vuelta. En je hebt één Ronde.

‘Vlaanderens mooiste’ wordt de wedstrijd ook genoemd, die op de bijna legendarische veertiende zondag van het jaar wordt gereden. Dan loopt heel Vlaanderen uit. Of je nu van koers houdt of niet. Om een glimp op te vangen van de helden. De Ronde, beste Nederlandse lezer, dat is de Elfstedentocht. Maar dan ‘klokvast’, elk jaar.

Peter Vandermeersch als seingever gele vlag:

Begonnen als promotiestunt

‘Respect’, ‘Mooiste’, ‘Hoofdletters’, ‘Legendarisch’. Ik merk dat ik grote woorden nodig heb om de wedstrijd te beschrijven die voor elke Vlaming zoveel meer betekent dan Milaan-Sanremo, Parijs-Roubaix, Luik-Bastenaken-Luik of de Amstel Goldrace – wie haalt het overigens in zijn hoofd een wielerwedstrijd naar een biermerk te noemen? Die ‘Amstel’ is net een halve eeuw oud, de Ronde is nu toe aan zijn honderdste editie.

Honderd edities. Dat verklaart meteen een stuk van de legendevorming. De Ronde van Vlaanderen dateert uit 1913. Het jaar voor Vlaanderen verscheurd, gemarteld en verminkt zou worden door die verschrikkelijke Eerste Wereldoorlog. In dat jaar 1913 organiseerde Karel Van Wijnendaele, hoofdredacteur van de krant Sportwereld de eerste Ronde. Hij zag het als een grote promotiestunt voor zijn nieuwe krant. Wat het blad L’Auto in Frankrijk had gedaan met de organisatie van de Tour de France moest ook in Vlaanderen kunnen met de Ronde. In 1913 en 1914 werd die twee keer gereden.

Winnen na de oorlog, met een geleende fiets

En toen brak die vreselijke oorlog uit. Vier jaar lang zou Vlaanderen synoniem zijn voor loopgraven en gifgas, dood en stank, de diepste ellende en peilloos verdriet. ‘Ons blad dat we met zooveel liefde hadden gekweekt zou te niete gaan, verdwijnen, vergeten worden… ’t was lastig en ’t ging ons diep in ’t herte. We zaten daar stille te peizen, lijk droeve menschen in ’n sterfhuis’, schreef een treurende Van Wijnendaele.

Maar op 23 maart 1919, vier maanden na de Wapenstilstand, stonden wel degelijk weer 47 renners aan de start van derde editie van de Ronde. Henri – bijgenaamd Ritten – Van Lerberghe won met een geleende fiets en nadat zijn ploegleider hem tijdens de wedstrijd uit het café was komen halen. Nooit meer zal de koers afgelast worden. Zelfs tijdens de Tweede Wereldoorlog, jaren met winnaars als Achiel Buysse, Briek Schotte en Rik Van Steenbergen, zal Vlaanderens Mooiste onder massale belangstelling gekoerst worden. Bezetting of geen bezetting.

Peter Vandermeersch en Mart Smeets vertellen bij DWDD hun mooiste verhalen over de Ronde van Vlaanderen:

De nationale hoogmis voor de sport

De wedstrijd met zijn wortels net voor de Eerste Wereldoorlog is al die tijd een jaarlijkse revanche op die oorlog. Na afloop daarvan groeide de wielersport in Vlaanderen uit tot de volkssport bij uitstek. Wielerkampioenen waren veelal jongens uit boerengezinnen, herkenbaar en aanraakbaar voor het volk. Zij waren het bewijs dat iedereen beloond kon worden voor zijn inspanningen. In het diepst van zijn gedachten is elke Vlaming een wielerkampioen. En de Ronde is de nationale hoogmis voor de sport.

Vijf keer dus heb ik die wedstrijd der wedstrijden mogen rijden. Het zijn misschien wel de gelukkigste dagen van mijn leven geweest. Niet op een fiets weliswaar, hoewel ik daar als elk Vlaams jongetje van droomde. Uren kon ik als twaalfjarige kijken naar de uit de krant geknipte plaatjes in mijn plakboek. Van Eddy Merckx, Walter Godefroot, Eric Leman, Walter Planckaert, Frans Verbeeck. En ook wel enkele prentjes van Jan Janssen en Felice Gimondi. Maar verder dan met een wat omgebouwde fiets (alles eraf gesloopt wat gewicht had en mij kon remmen) tegen vriendjes racen rond het blokje ben ik nooit gekomen. De Ronde rijden bleef dus een verre droom.

Seingever gele vlag

Tot ik vele jaren later de kans kreeg om de Ronde te rijden. Op mijn motorfiets, als ‘seingever gele vlag’. De krantengroep waar ik toen voor werkte was eigenaar en organisator van de Ronde van Vlaanderen die, via de intussen ter ziele gegane Sportwereld, bij Het Nieuwsblad was terechtgekomen. En die krant zocht enkele gemotoriseerde seingevers.

Voor de onwetenden onder u: seingevers spelen een cruciale rol in de koers. Zij moeten ervoor zorgen dat het peloton van pakweg tweehonderd renners veilig van de startplaats (in ‘mijn’ jaren Brugge) naar de aankomst (in ‘mijn’ jaren Meerbeke bij Ninove) wordt geloodst. En dat over een afstand van 260 kilometer, vele tientallen kilometers loodzware kasseistroken en een venijnige helling – in Vlaanderen noemen we dat ‘bergen’ – of zestien.

De opleiding was zeer summier. Bij mijn eerste Ronde, 2 april 2006, toonde een collega één keer hoe het moest: je rijdt voor het peloton uit tot je een obstakel ziet dat een gevaar kan vormen voor de renners. In veel gevallen is dat een vluchtheuvel, een verkeersdrempel of een slecht geparkeerde wagen. Je gaat enkele tientallen meters voor dat obstakel staan en wacht tot het peloton komt aangestormd.

En als ze staan uit te hijgen bovenaan de Oude Kwaremont, weten ze het zeker: wij hadden ook die kampioen kunnen zijn

De koers zien, het zweet ruiken, de renners aanraken

Als die groep renners als door het dolle heen op je komt afgestormd begin je als een gek te blazen op je fluitje (een essentieel attribuut van de seingever) en met je (zelf van een gele dweil gemaakte) vlag te zwaaien om hen te wijzen op het obstakel (én op jezelf). Links en rechts vliegen de renners om jou en de rotonde heen, gevolgd door tientallen wagens van zenuwachtige én agressieve ploegleiders.

Als die eenmaal veilig zijn gepasseerd, begint voor de seingever het leukste deel. Dan spring je op jouw motorfiets en begin je iedereen in te halen. Eerst wordt het slalommen tussen de nog steeds zenuwachtige en steeds agressiever wordende ploegleiders. Dan hang je achter het peloton. En, zodra de wegen het toelaten, steek je alle renners voorbij. Hier zie je de koers, ruik je het zweet, hoor je de renners naar elkaar roepen. Hier voel je de wedstrijd. Hier waan je je even zelf een renner. Dichter dan dat kan je niet komen.

De geur van worst en bier

Dan draai je de gashandel open. Op zoek naar een volgend obstakel. Vijftien, twintig keer herhaalt zich dat scenario. Stoppen, zwaaien, fluiten, op de motor, slalom, voorbij… Langs het hele parcours. Van de 260 kilometer rijd je er vele tientallen tussen dikke hagen van toeschouwers door. De geur van gebraden worsten en bier mengt zich met de smaak van opwaaiend stof of opspattende modder. Je ziet Vlaanderen in al de lelijkheid van de lintbebouwing en de schoonheid van de ‘bergen’.

En ja, heel Vlaanderen is uitgelopen. Ik zag mensen op hun ziekbed langs de kant van de weg. Bussen vol halfdronken ‘vip-guests’. Groepen echte supporters die op vijf, zes plekken van het parcours opduiken en tussendoor van de ene naar de ander plaats racen. Gezinnen die de hele dag in hun voortuin kamperen. Duizenden Vlaamse leeuwenvlaggen. Jongens die dromend naar de renners kijken. Vrouwen die hunkeren. Vaders die gek worden omdat ze Eddy Merckx herkennen in een van de volgwagens. En een Vlaamse minister-president op de motorfiets met de tijdsaanduiding op het krijtbord, blij als een klein jongetje.

Puisten die anders niemand zou kennen

De Ronde wordt beslist op plekken met, alweer, legendarische namen. Molenberg, Oude Kwaremont, Kloosterstraat, Tenbosse, Paterberg, Steenbeekdries, Bosberg, Paddestraat, en (vroeger) de Muur van Geraardsbergen. Het zijn puisten in een landschap die niemand zou kennen als er geen koers zou zijn. Maar het zijn ‘onze’ Tourmalet, Alpe d’Huez, Cipressa of Bois de Wallers.

Op die veertiende zondag van april rijden onze helden erover. Alle andere dagen van het jaar proberen tienduizenden wielerliefhebbers hetzelfde. En als zij bovenop de Oude Kwaremont staan uit te hijgen of uit elkaar gerammeld de kasseistrook van de Paddestraat hebben getrotseerd weten ze het zeker: we hadden ook die kampioen kunnen zijn.

Ik hoor er niet meer thuis

Intussen is de club van seingevers geprofessionaliseerd. Ook rijden de mobiele seingevers niet meer tussen de renners. Ze ontwikkelden een slim ‘way-out-way-in-systeem’ waardoor ze om het peloton heen rijden.

Ik hoor er niet meer thuis. En dat is maar goed ook, bedacht ik toen ik zondag hoorde van het vreselijke ongeval waarbij een (ervaren) motorrijder een renner dodelijk raakte. Mijn motorfiets heb ik intussen van de hand gedaan. Als je de Ronde niet meer kan rijden, waartoe dient dan zo’n machine? In de garage, aan een haakje, hangt mijn seingeversfluitje.