Woorden met extra gevoel

Bij ideofonen, klankschilderende woorden, hoor of voel je wat ze kunnen betekenen. Het is een alledaagse zintuigvermenging, denkt de Britse Japanoloog en psycholinguïst Gwilym Lockwood.

Gwilym Lockwood: „Ik dacht, als ik doe wat anderen niet doen, kunnen er onverwachte dingen gebeuren.” Foto Andreas Terlaak

Gwilym Lockwood kwam voor het eerst in contact met ideofonen toen hij Japans studeerde, een taal vol klanksymboliek. Ideofonen zijn klankschilderende woorden, woorden waarin je op de een of andere manier iets hoort of voelt van wat ze kunnen betekenen. „Die Japanse ideofonen voelden eerst een beetje simplistisch”, vertelt hij. „Enthousiast is bijvoorbeeld wakuwaku. Als mensen héél enthousiast zijn, is dat soms zelfs wakuwakuwakuwaku. Dan vroeg ik: ja, maar wat is nou de échte manier om te zeggen dat je enthousiast bent? Nee, zeiden ze dan, dit is het!” Lockwood vond dat zo ongemakkelijk dat hij zich bij zijn mondelinge examens liever onverschillig voordeed dan wakuwaku. En niet omdat hij de gelijknamige Nederlandse tv-natuurquiz kende; Lockwood is Brits en het Japans kent talloze van dit soort woorden. Zoals ukiuki (vrolijk), kibikibi (energiek), boroboro (versleten), of muzumuzu (kriebelig). Het zat ’m in die herhalingen, voor Lockwood voelden zulke woorden mal en kinderachtig aan.

„Pas later”, zegt hij, „toen ik in Japan kwam, hoorde ik dat serieuze zakenmannen in nette pakken gewoon dit soort woorden gebruiken als ze het over hun werk hebben. Woorden die voor ons dus kinderachtig klinken. En ken je dat, dat je eerst een negatieve indruk van iets hebt, maar dan blijkt dat je ongelijk hebt, en vervolgens wordt het steeds interessanter?” Dat had Lockwood dus met ideofonen. Hij doet er nu zijn promotieonderzoek naar, op het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek in Nijmegen. Zijn Japanse docenten zouden daar vast niyaniya over zijn, denkt hij: ze zouden breed grijnzen. Hihi. Gnagna.

Lockwood denkt dat er een verband is tussen ideofonen en synesthesie, de zintuiglijke vermenging die maakt dat sommige mensen bijvoorbeeld bij letters of dagen van de week meteen bepaalde kleuren zien. Hij vermoedt dat we allemaal een beetje synesthetisch zijn en dat daar de gevoeligheid voor ideofonen vandaan komt. Die theorie ontvouwt hij in zijn proefschrift, dat eind augustus af moet zijn.

Maar eerst: hoe komt een jonge Brit met zijn voornaam eigenlijk bij Japans terecht? Gwilym is Welsh voor Willem. „But I can’t really claim to be Welsh”, verklaart Lockwood opgewekt in zijn keurige Engels. Hij heeft wel familie in Wales, van moederskant, maar is opgegroeid in Leighton Buzzard, een half uur met de trein ten noordwesten van London. „Het type stad waar mensen hun hele leven blijven wonen. Of waar mensen uit Londen naartoe verhuizen als ze kinderen krijgen.”

Niet bepaald een stad vol Japanners, maar er woonde wel een Japanse dame, die Japanse les aanbood aan geïnteresseerde scholieren. „Daar begon mijn belangstelling. Ik was 15, 16, ik vond het leuk om vreemde talen te leren. Toen besloot ik dat ik net zo goed Japans kon gaan doen op de uni. Ik had allemaal vrienden die geschiedenis wilden studeren en ik dacht: dan heb je straks dus heel veel mensen met dezelfde vaardigheden. Als je iets doet wat anderen niet doen, opent dat andere deuren, dan kunnen er onverwachte dingen gebeuren.” Hij ging op zijn 18de een maand naar Miyazaki, in het zuiden van Japan, om de taal te leren, en woonde tijdens zijn studie nog een jaar in Kyoto.

Lockwood vond Japans niet per se een moeilijke taal. „Het onderscheid tussen ‘de’ en ‘het’ bestaat niet in het Japans. Het werkwoord verandert niet met het onderwerp. Heel veel dingen zijn eenvoudig in het Japans, behalve het schrijven. En die categorie van ideofonen, die voelde dus eerst nogal dwaas, omdat die geen equivalent heeft in mijn eigen taal. Europese talen hebben bijna geen ideofonen. Het lijkt hooguit een beetje op de manier waarop wij onomatopeeën gebruiken in kinderliedjes of om dierengeluiden na te doen.” Piep! Waf woef waf woef!

Wat is eigenlijk het verschil tussen ideofonen en onomatopeeën – en andere termen in de wetenschappelijke literatuur die bijna voor hetzelfde lijken te staan, zoals iconiciteit en klanksymboliek? „Oké, ja, het is een beetje een zooitje, om eerlijk te zijn. Onderzoekers gebruiken die termen te vaak door elkaar.” Lockwood grijpt een blocnote en tekent een Venndiagram: een grote ellips voor iconiciteit, met een iets kleinere erin voor klanksymboliek.

Iconiciteit, legt hij uit, is de meest omvattende term voor het verband tussen woordbetekenis en zintuiglijke eigenschappen. Daar valt onder dat je in een gebarentaal iets wat groot is met grote gebaren beschrijft, of dat je van je hand een drinkbeker maakt in het gebaar voor drinken. Klanksymboliek is iets smaller: dat is iconiciteit maar dan beperkt tot gesproken taal. En daar zijn dan weer verschillende vormen van.

Professor Flitwick

Lockwood tekent drie cirkels binnenin de ellips van klanksymboliek: ideofonen, onomatopeeën en fonestemen – die heb je ook nog. „Bij fonestemen hebben clusters van woorden overeenkomsten in spelling en betekenis. In het Engels hebben woorden die met gl beginnen bijvoorbeeld vaak iets met glanzen of glimmen te maken en woorden die met fl beginnen iets met vluchtigheid of vliegen. Schrijvers gebruiken zulke eigenschappen vaak als ze hun personages namen geven. J.K. Rowling, van de Harry Potter-boeken, is daar briljant in.” Neem de toverstaf-zwaaiende professor Flitwick met zijn levitatiespreuk. „Die naam roept bij de lezers, misschien niet eens bewust, meteen de goede associaties op.”

Onomatopeeën, vervolgt Lockwood, zijn directe klanknabootsingen. Smak. Slurp. Boem! Miauw. De tjiftjaf die tjiftjaf zegt, het roekoe van een duif. En tot slot de ideofonen, Lockwoods onderwerp: „Daar heeft mijn begeleider Mark Dingemanse een goede definitie van. Hij zegt: ideofonen zijn gemarkeerde woorden die zintuiglijke informatie verbeelden.”

Elk woord in die definitie is van belang, zegt Lockwood. „Gemarkeerd: het zijn woorden die opvallen. Het Japans kent bijvoorbeeld pikapika voor glanzend; dat valt op, want Japanse woorden beginnen normaal nooit met een p, tenzij het leenwoorden zijn. Verder zijn ideofonen wel echt woorden, ze staan in woordenboeken, het zijn geen kreten of dierengeluiden. En gewone woorden vertellen hoe iets is, maar ideofonen verbeelden het – they show, don’t tell. Ze verbeelden zintuiglijke informatie: hoe iets klinkt, hoe iets oogt, hoe iets voelt, als je het aanraakt. Ik kan ideofonen gebruiken om over deze handcrème te zeggen dat hij mijn handen zacht maakt, maar niet om te zeggen dat hij goedkoop was.”

Waar komen de associaties vandaan tussen klanken in woorden en andere zintuiglijke ervaringen – waardoor voelt muzumuzu zelfs voor Nederlanders een beetje kriebelig? „Ja, dat probeer ik in mijn proefschrift uit te zoeken. We weten dat er verbanden bestaan tussen ogenschijnlijk ongerelateerde zintuiglijke domeinen. Bij toonhoogte bijvoorbeeld gebruiken we ruimtelijke metaforen – hoog, laag – voor auditieve informatie. Zo associëren mensen hoge tonen ook met licht, helderheid, snelheid – en met de klinker [i], die je voor in de mond maakt met de mond relatief gesloten. Lage tonen associëren we met donkere, zware, grote dingen en met klinkers die je meer achter in de mond maakt, zoals [o] en [a].”

De échte betekenis leren

Lockwood vermoedt dat dit een alledaagse vorm van synesthesie is: „Misschien is iedereen een beetje synesthetisch en ligt dat ten grondslag aan de gevoeligheid voor klanksymboliek. Synestheten hebben deze associaties ook sterker.” Eerder dit jaar publiceerde Lockwood onderzoek waaruit bleek dat Nederlanders makkelijker de échte betekenis van Japanse ideofonen leren (dus bijvoorbeeld fuwafuwa = pluizig), dan wanneer hun ten onrechte de tegenovergestelde verkeerde betekenis wordt opgedrongen: dat fuwafuwa houtig zou betekenen, bleek moeilijker leerbaar. En in een nieuw onderzoek hebben Lockwood en collega’s nu aangetoond dat synestheten makkelijker de betekenis van ideofonen raden dan mensen zonder synesthesie.

In een kleiner onderzoek daarna zag Lockwood op EEG’s dat naarmate mensen gevoeliger zijn voor klanksymboliek hun hersenen harder moeten werken om natuurlijke associaties te onderdrukken als de onderzoekers hun de tegengestelde betekenis van ideofonen probeerden te leren. Bijvoorbeeld als die de proefpersonen wijsmaakten dat bukubuku slank betekent – het betekent dik, het voelt ook dik, en voor mensen die er gevoelig voor zijn voelt het nog dikker.

Nu is het nut van ideofonen niet, of niet alleen, om makkelijker vreemde talen te kunnen leren. „Hun functie”, zegt Lockwood, „is vooral dat ze een enorme expressieve kracht hebben. Kimi Akita van de universiteit van Nagoya heeft een corpus met teksten gemaakt van interviews met slachtoffers van de tsunami in 2011. Die gebruiken heel veel ideofonen. Voor het water, crashing over their heads, smashing everything away. Ik hoor nu dat ik zelf extra nadruk leg op crashing en smashing omdat ik diezelfde expressiviteit wil bereiken. Niet dat ik wil zeggen dat een taal zonder ideofonen een minder goede taal is...”

Ja, hij is echt veel positiever over ideofonen gaan denken dan toen hij ze voor het eerst tegenkwam. Net als de hele taalwetenschap, trouwens. „Oorspronkelijk domineerde Europa de taalwetenschap en 19de-eeuwse Europese onderzoekers namen aan dat als andere talen iets hadden wat niet in Europese talen voorkwam, dat die andere talen dan raar waren. Ideofonen hoorden bij ‘die gekke dingen die je in andere talen hebt’, ook al zijn in feite de Europese talen gek omdat die ze amper hebben.”

Dat had iets betuttelends, ja, iets koloniaals, beaamt hij desgevraagd. „En nu zie je mensen vanuit vrijwel dezelfde attitude het omgekeerde schrijven. In de 19de-eeuwse Duitse literatuur stond dat Afrikaanse talen primitief waren omdat ze zoveel onomatopeeën hadden. Nu lees je wel: deze mensen staan zoveel dichter bij de natuur, hun levensstijl is veel puurder. Maar ik vind dat je dan nog steeds klanksymboliek gelijkstelt aan minder ontwikkeld zijn. En dat is onzin. Er is geen verband tussen ideofonen en ontwikkelingsniveau. Het is gewoon een kenmerk van een taal, zoals in sommige talen zelfstandig naamwoorden wel een geslacht hebben en in andere niet.”