Waarom geleerd proza lelijk is

Volgens sommigen is mooi kunnen schrijven een kwestie van aanleg. Dat geloof ik niet. Laat ik het anders zeggen: slecht schrijven kun je leren en een van de beste plekken om het te leren is de universiteit. In een magnifiek essay getiteld ‘Why academics stink at writing’ (Chronicle of Higher Education, september 2014) legde de Harvard-psycholoog Steve Pinker uit waarom dat zo is. Wetenschappers die een artikel schrijven, hebben volgens Pinker last van twee dingen. Om te beginnen rust er op hen de kennisvloek, de misvatting dat iedereen weet wat jij weet. Het leidt ertoe dat auteurs kwistig gebruik maken van afzichtelijk jargon en idiote afkortingen. Daardoor wordt een tekst voor niet-ingewijden al snel ontoegankelijk. „Wat MBCT toevoegt, is de metacognitieve en ervaringsgerichte dimensie”, las ik laatst in een artikel over een nieuwe therapie voor een bepaalde groep patiënten. MBCT? Wat is dat ook alweer? Ervaringsgerichte dimensie? Is dat hoe patiënten praten over hun klachten? Het was ongeveer bij deze kitscherige zin dat ik het artikel terzijde schoof.

Een tweede obstakel, zegt Pinker, is dat wetenschappers in hun artikelen vaak tegenstrijdige bewegingen maken. Ze willen een idee naar voren brengen, maar het toch ook omgeven met alle mogelijke nuances. Want wat ze willen voorkomen, is dat een lezer hen kan betichten van naïviteit. Dat leidt tot een krampachtige stijl. In het artikel over de nieuwe therapie kwam ik deze zin tegen: „Het vergroten van de acceptatie van het ervaren van symptomen is mogelijk een sleutelproces in het verbeteren van de zorg voor patiënten met somatoforme stoornissen.” Het was fijner lezen geweest als er had gestaan: „Ik vind dat deze patiënten met hun klachten moeten leren leven.”

In hun poging om te nuanceren wat er maar te nuanceren valt, bedienen wetenschappers – psychologen voorop – zich nogal eens van zombie-vocabulaire. Daartoe behoren woorden die vrij van betekenis zijn, maar wel een aura van diepgang bezitten; framework, dimensie, en model zijn voorbeelden. Proces is ook zo’n mottige term. Wanneer een onderwijspsycholoog schrijft over non-cognitieve processen bij leerlingen, klinkt dat aanvankelijk weldoordacht. Maar al snel vraag je je als lezer af of de auteur doelt op zelfvertrouwen, emotionele rijpheid, incasseringsvermogen, empathie dan wel iets anders. Met zo’n inhoudsloze term houdt de auteur alle paarden in de race. Dat is nou net de bedoeling, precies zoals in het diplomatieke verkeer peace process duidt op het hele spectrum tussen onderhandeling en bombardement. Maar duidelijke lectuur levert het niet op.

Een van de meest productieve psychologen is de aan Emory University (USA) verbonden hoogleraar Scott Lilienfeld. Samen met zijn collega’s publiceerde hij onlangs een lijst van vijftig mistige vaktermen die populair zijn onder schrijvende psychologen en psychiaters (Frontiers, augustus 2015). Wie de lijst inspecteert, moet vaststellen dat het nogal eens gaat om metaforische begrippen, waarmee auteurs dubieuze aannames proberen te verdoezelen. Zo is chemische onbalans een lelijke vakterm, waarmee wordt bedoeld dat depressies ontstaan omdat het in het brein schort aan de neurotransmitter serotonine. De term dringt aan lezers het idee op dat er vanzelfsprekend zoiets is als een gezonde serotoninespiegel. Het bewijs daarvoor ontbreekt. Sterker nog: het is in strijd met de bevinding dat sommige antidepressiva het serotonine-niveau opkrikken, terwijl andere het juist dempen. Ondertussen is chemische onbalans geen onschuldig obscurantisme. Depressieve patiënten nemen het over en maken het tot uitgangspunt van hun zelfbeeld: mijn depressie is een soort diabetes van het brein en net zoals diabetici tot in lengte van dagen insuline nodig hebben, kan ik niet functioneren zonder antidepressiva.

Wat te doen aan het probleem van in ellendig proza vervatte vakartikelen? De redacties van psychologische en medische bladen zouden een voorbeeld kunnen nemen aan het Nederlands Juristenblad. Dat eist van zijn auteurs elegantie en eenvoud („direct, zonder omhaal van woorden en precies, met vaktermen alleen dan wanneer dat nodig is”).

Een jaarlijkse prijs voor het artikel met het beroerdste houthakkersjargon, naar het voorbeeld van de Bad Writing Contest, zou ook helpen. Weer een ander idee: wees er vroeg bij en geef studenten veel schrijfopdrachten. En laat dan niet wetenschappers, maar journalisten aan studenten uitleggen wat een goed geschreven tekst is. Af en toe organiseren mijn collega’s en ik zo’n bijeenkomst, waarbij journalisten door studenten geschreven stukken van commentaar voorzien. De studenten vinden dat een nuttige oefening. Een vaak gehoorde opmerking is dat ze dan pas begrijpen waarom het makkelijk is om lelijk te schrijven. Want, inderdaad, schrijven is denken, mooi schrijven is helder denken en dat is waarom het zo verdomd moeilijk is.