Typisch Nederlands, dat begrip allochtoon. Racistisch ook

Vader uit Duitsland, inkomen een uitkering. Waarom noemen we Beatrix geen allochtone bijstandsmoeder? Omdat ze geen kleurtje heeft en niet tot de onderklasse behoort, verzucht Zihni Özdil.

illustratie fotodienst nrc

De progressieve sociologe Hilda Verwey-Jonker muntte in 1971 de geologische term ‘allochtoon’ in haar rapport voor het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk: Allochtonen in Nederland. Beschouwingen over de: Gerepatrieerden, Ambonezen, Surinamers, Antillianen, Buitenlandse werknemers, Chinezen, Vluchtelingen, Buitenlandse studenten.

Fascinerend document, vooral omdat het bewijst dat er in vijfenveertig jaar weinig is veranderd in onze visie op burgerschap. In de inleiding definieert ze allochtoon als „mensen, die buiten Nederland geboren zijn – na 1945 in dit land zijn aangekomen, opgevangen en in de samenleving zijn opgenomen”. Vervolgens legt ze uit waarom ze juist „deze categorieën buitenlanders en niet Belgen, Duitsers of Amerikanen” allochtoon noemt: „… de duidelijke herkenbaarheid van de hier besproken groepen. Deze berust in vele gevallen op een opvallend uiterlijk – met name de huidskleur – en in sommige gevallen op de vreemde, voor weinig Nederlanders verstaanbare taal.”

Huidskleur en accent dus. In 1971 ging de allochtonendiscussie vooral om mensen uit voormalige koloniën die al Nederlands spraken. Ze problematiseert hun taal als ‘voor weinig Nederlanders verstaanbaar’. Daarmee duwt ze deze mensen, die een eeuwenoude band met Nederland hebben, buiten het Nederlanderschap.

Dat die mensen Nederlanders waren, deed er niet toe. Dat het Nederlands van Tukkers en Gelderlanders ‘voor weinig Nederlanders verstaanbaar’ is, schrijft ze niet. Omdat hun huidskleur niet ‘opvallend’ is.

Vorige week besloot een Kamermeerderheid (PvdA, SP, D66, CU, Denk, PvdD, 50Plus, GL) eindelijk, via een motie, dat het woord ‘allochtoon’ niet meer mag voorkomen in overheidsdocumenten. Een belangrijke stap – als het kabinet dit opvolgt.

Orwell schreef dat politieke taal bedoeld is om het onverdedigbare te verdedigen en daarom vooral uit eufemismen bestaat. Met ‘allochtoon’ verdedigen we het onverdedigbare, namelijk dat we sommige Nederlanders in een apart hokje stoppen vanwege hun kleur. Een typisch Nederlandse – elders in de wereld vrijwel ongekend – politiek correcte term die in staat stelt om het over kleur te hebben, zonder het over kleur te hebben.

Niet-westerse allochtoon’ klinkt beschaafder dan, zeg, pauperallochtoon

Daarom hoogst ironisch dat in 2016 vooral rechts Nederland een woord verdedigt dat in 1971 door een linkse sociologe van bovenaf werd ingevoerd. VVD, CDA, PVV, SGP en de kleine rechtse afsplitsingen stemden tegen de motie. Volgens hen zou het ‘politiek correct’ zijn om de politiek correcte term allochtoon af te schaffen. VVD-Kamerlid Potters: „Discriminatie moeten we natuurlijk hard aanpakken, maar daar helpt deze motie echt niet tegen. Het tegenovergestelde kan juist gebeuren. Dat mensen het gevoel hebben dat ze politiek correct moeten zijn en dat dat juist weerstand oproept tegen bepaalde groepen.”

Ik snap deze logica niet. Een door de overheid opgelegde discriminerende term moeten we blijven gebruiken, omdat mensen anders het gevoel krijgen dat ze niet meer kunnen discrimineren, en daardoor juist ‘weerstand tegen bepaalde groepen’ krijgen?

Bizarre logica is ons land niet vreemd: het CBS hanteert nu de volgende definitie voor allochtoon: „Persoon van wie ten minste één ouder in het buitenland is geboren.” Klinkt neutraal, maar werkt het ook zo door in de maatschappij? Worden witte Nederlanders met een vader die in Duitsland is geboren ook door de samenleving aangesproken als allochtoon? Om dit punt duidelijk te maken heb ik eens bij Pauw en Witteman uitgelegd dat prinses Beatrix de grootste allochtone bijstandsmoeder van Nederland is. Haar vader is in Duitsland geboren en het geld dat ze van de belastingbetaler krijgt, is een uitkering. Ik werd dagenlang uitgescholden, reacties die aantonen dat ‘allochtoon’ helemaal geen neutraal woord is.

Het is nog Orwelliaanser dan Orwell voor mogelijk hield: volgens het CBS is een westerse allochtoon iemand ‘met als herkomstgroepering een van de landen in Europa (excl. Turkije), Noord-Amerika en Oceanië, of Indonesië of Japan’. Een niet-westerse allochtoon is iemand ‘met als herkomstgroepering een van de landen in Afrika, Latijns-Amerika en Azië (excl. Indonesië en Japan) of Turkije’.

Voor zover ik weet ligt Latijns-Amerika ten westen, en Oceanië, Indonesië of Japan ten oosten van Nederland. Het lijkt er dus op dat het CBS zijn geografie niet op orde heeft. In de officiële toelichting komt de aap enigszins uit de mouw: „Op grond van hun sociaal-economische en sociaal-culturele positie worden allochtonen uit Indonesië en Japan tot de westerse allochtonen gerekend.”

Verwarrend. Ook sociaal-cultureel is Japan mijlen verder van ‘ons’ verwijderd dan Turkije of Argentinië. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat onze overheid, middels de CBS-definitie, ook nog eens onderscheid maakt in ‘allochtonen’ naar klasse. Maar ‘niet-westerse allochtoon’ klinkt natuurlijk beschaafder dan, zeg, pauperallochtoon.

Waarom noemen we in onze officiële taal Nederlanders niet gewoon Nederlanders? Als de begrippen ‘Marokkaanse Nederlander’, ‘Turkse Nederlander’, ‘Antilliaanse Nederlander’ ingeburgerd zouden zijn, waren we al vele stappen verder. Maar er heerst een vrij koppige weerstand tegen voorstellen om ‘streepjes-Nederlanders’ te gebruiken in beleid en media. Want, u raadt het al, dat zou ‘politiek correct’ zijn.