Rutte wil niet vooruitlopen op ‘nee’

Referendum Bewindslieden ontwijken de wat-als-vraag en het kabinet heeft geen scenario voor ‘verplichte heroverweging’

Premier Mark Rutte wil „niet speculeren over een what if” als het niet goed gaat en de uitslag van het referendum aanstaande woensdag negatief is. „Als ik daar nu al iets over ga zeggen ben ik in strijd met de wet, dat vind ik niet zuiver”, zei Rutte woensdag in Nieuwsuur.

Vicepremier Lodewijk Asscher belooft niet meer dan „de uitslag zeer serieus” te nemen. Ook minister Bert Koenders (Buitenlandse Zaken, PvdA) wil „niet op de zaken vooruitlopen”, zei hij vrijdag. „We kunnen een adviserend referendum niet vooraf bindend verklaren. Maar nu al zeggen dat we een nee niet overnemen is van een arrogantie die ons ook niet past.” Minister Jeanine Hennis (Defensie, VVD) zegt: „We hebben er natuurlijk met elkaar over gesproken, maar in de wet staat dat ná de uitslag een nieuw weegmoment plaatsvindt.”

Vrijwel alle ministers is de afgelopen dagen gevraagd naar de gevolgen van een nee-stem bij het raadgevend referendum aanstaande woensdag over het associatieverdrag tussen de Europese Unie en Oekraïne. Peilingen schatten in dat de vereiste opkomst van 30 procent gehaald zal worden en de meeste kiezers tegen zullen stemmen. Eensgezind volgen bewindslieden van VVD en PvdA „de lijn dat het verstandig is daar nu niet op vooruit te lopen”, zoals de woordvoerder van een minister het omschrijft. Daar houdt de onverdeeldheid binnen het kabinet ook meteen op. Want de coalitiepartijen zijn het fundamenteel oneens over het fenomeen referendum én de gevolgen van een nee-stem tegen het associatieverdrag. Al hebben ze voor dat laatste geen van beide nog een concrete oplossing.

PvdA: referendum bindend

Bewindspersonen verwijzen allemaal naar de referendumwet wanneer zij de wat-als-vraag ontwijken. Die schrijft voor dat wanneer de opkomst lager is dan 30 procent of de meerderheid van de kiezers ja stemt, het betreffende wetsvoorstel direct in werking treedt. In dat geval wordt er vrijdag opgelucht ademgehaald in de Trêveszaal. Maar bij een hogere opkomst en een negatieve uitslag vindt na het raadplegend referendum een „verplichte heroverweging door de wetgever plaats”. Volgens de wet lijken daarin maar twee smaken: het kabinet trekt zijn voorstel in – en ratificeert in dit geval het verdrag met Oekraïne niet – of trekt zich niets van het referendum aan – en besluit dat het verdrag alsnog in werking treedt. Beide zuivere opties zijn voor het kabinet onwenselijk. Waarschijnlijker is dat er opnieuw onderhandeld zal worden: in het kabinet, de Tweede en Eerste Kamer en vooral in Brussel.

Het associatieverdrag is namelijk geen gewoon wetsvoorstel. Het is een verdrag met de 27 bondgenoten binnen de Europese Unie en met de Oekraïne. Een verdrag dat los van de uitslag gewoon zal blijven bestaan, maar als de huidige EU-voorzitter het niet ratificeert wel erg complex wordt.

De PvdA-fractie heeft zich, met een meerderheid van de Tweede Kamer, al wel uitgesproken over de consequenties. „Bij een geldige nee-stem, moet dat oordeel worden overgenomen”, zegt Kamerlid Marit Maij (PvdA). Wat dat overnemen precies inhoudt, weet zij niet. „We hebben oprecht geen scenario voor wat er daarna gaat gebeuren.” Behalve PVV en SP, die vinden dat het hele verdrag in de prullenbak moet, weten oppositiepartijen dat ook niet.

De VVD-fractie volgt de lijn van het kabinet en zwijgt over de gevolgen. De partij stemde tegen de initiatiefwet van PvdA, GroenLinks en D66 die raadgevende referenda sinds vorig jaar mogelijk maakt. De fractie walgt ervan dat de coalitiepartner met het raadgevende referendum al de facto bindend heeft verklaard. Ook wordt verwijtend gesproken over oud-PvdA-senator Ruud Koole, die regelde dat er op het laatste moment een opkomstdrempel aan het raadgevend referendum werd verbonden. Dat maakt het voor het kabinet vrijwel onmogelijk om een nee-stem volgende week te negeren, weet ook de VVD. De partij heeft zich er dus bij neergelegd dat er íets zal moeten gebeuren.

Maar wat? Net als na het referendum over de Europese Grondwet in 2005, zal de premier in de Europese Raad moeten uitleggen wat de Nederlandse grieven zijn en hoe hij die denkt op te lossen. Groot verschil is dat in 2005 ook Frankrijk het verdrag wilde wijzigen. Nu staat Nederland alleen. Bovendien gaat het hier niet om een onderling EU-verdrag maar dat met een buitenstaander.

„De eventuele situatie die zou kunnen ontstaan bij non-ratificatie is onontgonnen terrein”, schreef het kabinet in antwoord op Kamervragen. Opnieuw onderhandelen met de Oekraïne wordt niet realistisch geacht. Daarnaast heeft een groot deel van het verdrag helemaal geen instemming van Nederland nodig.

Gevaarlijk precedent

Voorzover het handelsafspraken betreft is het verdrag „de exclusieve bevoegdheid van de Unie” niet van de lidstaten. Nederland zou zich in theorie kunnen onttrekken aan de politieke en justitiële onderdelen van het verdrag, maar dit zou een gevaarlijk precedent kunnen scheppen. Wat weerhoudt andere lidstaten er dan van ook uitzonderingsclausules in internationale afspraken te bedingen?

Een extra complicatie is dat het kabinet niet weet waarover het binnen de EU opnieuw zou moeten onderhandelen. Bij het referendum wordt geen uitspraak gedaan over wát mensen onwenselijk vinden aan het verdrag. De initiatiefnemers van het referendum bekenden donderdag in NRC „Oekraïne kan ons natuurlijk niets schelen”. Zij „grijpen alle mogelijkheden aan om de relatie tussen Nederland en de EU onder spanning te zetten”. Vertaal dat maar eens naar concrete maatregelen die ontevreden kiezers geruststellen. De aanpassingen van de Europese Grondwet destijds, inclusief het schrappen van de term grondwet, wordt door eurosceptici zwaar onvoldoende gevonden.

Zo’n situatie kan zich opnieuw voordoen als de bondgenoten binnen de EU niet aan het verdrag willen morrelen. Met wat cosmetische ingrepen, zoals een bijlage die expliciet vermeldt dat dit verdrag geen opstapje is voor EU-lidmaatschap, kan een beetje aan een nee-stem tegemoet worden gekomen. Maar de regering ratificeert het verdrag dan wel gewoon, wat de scepsis tegen de EU en ‘de politiek’ van sommige kiezers alleen maar zal aanwakkeren.

De scepsis tegen het fenomeen referendum heeft dat de afgelopen weken in ieder geval gedaan. Wat de uitslag ook is, de referendumwet zal grondig tegen het licht gehouden worden. Daarbij zullen zeker de opkomstdrempel en de mogelijkheid om internationale verdragen aan een volksraadpleging te onderwerpen ter discussie staan. Dat is het enige gunstige gevolg van een nee-stem dat de VVD zich kan voorstellen: het herschrijven van de referendumwet.