Column

Links en rechts zijn hetzelfde geworden

Traditionele linkse partijen in Europa zijn in een vrije val geraakt. Volgens een peiling in Duitsland is de SPD, die met de conservatieven in de regering zit, op een dieptepunt van 20 procent beland. Le Monde schrijft dat president Hollande de tweede ronde van de presidentsverkiezingen niet zou halen als die nu werden gehouden. Franse jongeren hebben een voorkeur voor rechtse partijen. En de Nederlandse PvdA zou teruggaan van 38 naar 8 of 9 zetels als er nu Kamerverkiezingen waren.

Sommigen vinden dit geweldig, anderen juist niet. Maar daar gaat het even niet om. Als je naar de deplorabele staat van gematigde linkse partijen in Europa kijkt, moet je vaststellen dat zij er niet meer in slagen om te doen waar ze ooit goed in waren: eigen voorstellen aanbieden voor een maatschappij die zij graag willen zien. Dit is funest voor de democratie.

Vroeger kreeg je als Europees burger bij verkiezingen heldere alternatieven aangeboden: een links plan en een rechts plan. Lijsttrekkers en aanhangers van beide kanten voerden daar dan flinke debatten over. Die waren vooral economisch van aard: hoe wilden beide kanten fundamentele aspecten van de samenleving inrichten? De kiezer had keus tussen twee ‘wereldbeelden’. Als links won, kreeg je een andere regering, met andere besluiten, dan als rechts won. Toen François Mitterrand in 1981 president werd, ging in Frankrijk het roer radicaal om: hij schafte de doodstraf af, breidde de sociale zekerheid uit en nationaliseerde bedrijven.

Dit is nu onmogelijk, althans op deze schaal. Om onze welvaartsstaten te bekostigen, hebben linkse én rechtse regeringen afgelopen decennia veel geleend op kapitaalmarkten. Ze hebben de financiële wereld gedereguleerd zodat burgers ook makkelijker konden lenen. Verder hebben ze de Europese interne markt opgezet, en de euro, die de financiële huishoudingen van eurolanden afhankelijker van elkaar maakt. Markten kregen meer invloed in Europa. En omdat ze één munt deelden, tilden regeringen nationale economische besluitvorming deels naar een hoger plan. Dit alles heeft de manoeuvreerruimte voor politieke partijen drastisch beperkt.

Als je door de bril van de jaren tachtig naar Europese economieën kijkt, zie je vooral een rechts model: minder overheid, meer markt. Zelfs na een formidabele crisis slagen klassieke socialisten er niet meer in een alternatief model te bieden. Ze hebben jarenlang even hard gedereguleerd en geliberaliseerd als de conservatieven (denk aan Tony Blair’s ‘Third Way’). Dat maakt hen deel van het probleem, niet van de oplossing. Een alternatief model is bovendien onuitvoerbaar, als je in de eurozone zit en mee wilt draaien in de geglobaliseerde economie. Griekse kiezers hebben linkse en radicaal-linkse regeringen gekozen, maar hun economische politiek veranderde er geen jota door. President Hollande stelt jongeren die hij tijdens zijn campagne werk en perspectief beloofde, teleur. De Duitse socialisten zijn het zo met Angela Merkel eens dat ze spijkers op laag water zoeken om zich te onderscheiden. In Slowakije regeren socialisten met fascisten.

Dat dit links ongeloofwaardig maakt, is tot daar aan toe. Erger is dat het de kiezer van goede debatten berooft over de inrichting van de samenleving. En van alternatieven, juist nu hij die nodig heeft. De enige die nog wat beloven, zijn radicale partijen. Alleen al daarom zou het goed zijn als klassiek links terugkwam, met een geloofwaardig, eerlijk en intelligent verhaal. Zonder keuzes, zonder het politieke antagonisme dat links inbrengt, is het politieke midden verloren.