‘Ho, ho, ik ben schrijver’

Schrijver Cees Nooteboom is nog steeds „heel, heel druk”, zegt hij bij een niet-snobistisch glas wijn. „Krankzinnig idee dat alles verdwijnt. Droevig ook.”

Cees Nooteboom: „Als ik in het Nederlands schrijf, is het alsof ik een orgel bespeel. Al die registers. Fluit, de klavieren, de strijkers, de vox humana.”

Boekenpolitie, grapt Cees Nooteboom (82) als we na de lunch nog even de bibliotheek van het Ambassadehotel binnenlopen om te controleren of er wel boeken van hem tussen staan. Achter glazen schuifwanden staan de gesigneerde boeken van beroemde schrijvers die ooit in het hotel verbleven. Isabel Allende, Umberto Eco, Salman Rushdie. Van vrijwel alle Nobelprijswinnaars staat er een exemplaar: Günter Grass, Toni Morrison, V.S. Naipaul. Met zijn vingers zoekt hij langs de boekenrijen. „L, M… Hier is de N…” Niks? Jawel, toch, één Nooteboom. Allerzielen uit 1998. Nog even kijken bij de K, van Michaël Krüger, wiens gedichten hij uit het Duits vertaalde. Op verzoek pakt de barman zijn sleutelbos en schuift een wand open. Cees Nooteboom streelt de kaft van het boek. Op de achterflap een foto van hem en de auteur samen.

Zo vaak is Cees Nooteboom niet in Nederland. En als hij er is, logeert hij niet in een hotel, maar in het Amsterdamse huis dat hij heeft aangehouden. Sinds de jaren zestig woont hij op Menorca, als hij niet op reis is. Hij wil graag lunchen in de brasserie van het Ambassadehotel, graag aan een tafeltje bij het raam. Nou serveert de brasserie normaal gesproken geen lunch, maar speciaal voor deze gast ging het restaurant open. Net zoals de fles pinot noir uit de Waipara-regio in Nieuw-Zeeland. Cees Nooteboom vroeg of hij – „voor de grap” – even de wijnkaart mocht zien. Ooit had hij een fles cadeau gedaan aan een vriend en hem daarna nérgens meer kunnen vinden. En nou meende hij zich te herinneren dat ze hem hier… Klopt, zegt de ober nog voor hij is uitgesproken en gaat de wijn meteen uit de kelder halen.

Cees Nooteboom zet zijn rode leesbril af en legt zijn gebloemde notitieboekje op de vensterbank naast zich. „Ik ben geen luncher”, deelt hij mee. En drinken doet hij al helemaal niet overdag. „Dan is mijn dag voorbij.” Hij grinnikt. Een orgie mag het niet worden, maar hij heeft zich wel voorgenomen de rest van deze dag te besteden aan flierefluiten. Beetje de krant – El Pais – lezen in café Luxembourg, misschien even een museum in.

‘Die schilderijen waren hetzelfde gebleven. Maar ik was veranderd’

Hij is net terug uit Slovenië en Kroatië, zegt hij. Drie boeken van hem zijn daar net in vertaling verschenen. Een reisboek De omweg naar Santiago. Een verhalenbundel ’s Nachts komen de vossen. En Brieven aan Poseidon. „Allemaal werk dat hier in Nederland, nou ja, nog nèt wordt besproken. Maar dáár…” Hij wil niet onbescheiden overkomen, hij weet welke indruk men soms van hem heeft, maar hij kan toch moeilijk ontkennen dat hij over de grens zalen vol mensen, jónge mensen, treft die zijn werk zeer waarderen. Hij heeft er lezingen gegeven, interviews, soms wel vijf op een ochtend. En iedereen wil zijn mening horen. Over de vluchtelingencrisis, over Europa, over wereldproblematiek. „Ho ho, ik ben schrijver, moet ik dan zeggen. Geen diplomaat of politicus.” Dit najaar reist hij naar Colombia en Peru, waar hij te gast is op een boekenbeurs die te vergelijken is met wat de Frankfurter Buchmesse is voor Europa. Maar eerst heeft hij nog een grote Europese tour. Duitsland, Spanje, Italië. Het is heel, heel druk, zegt hij. „En telkens moet ik afwegen of ik al dat reizen nog red en of ik het kan opbrengen van mijn eiland af te komen.” Hij is, wil hij maar zeggen, geen twaalf meer.

Vorig jaar zomer vroeg het Pradomuseum in Madrid hem of hij wilde meewerken aan een documentaire over Jheronimus Bosch, de vijftiende-eeuwse, Nederlandse schilder die dit jaar, in Spanje en Den Bosch, wordt herdacht. Eervol, zeg ik. „De Spanjaarden kennen me als schrijver over beeldende kunst.” Niet zijn kennis, maar zijn kijk op kunst wordt er zeer gewaardeerd. Voor de documentaire reisde hij van Lissabon, via Gent en Rotterdam naar Den Bosch om zes schilderijen van Bosch te bekijken. Sommige wéér, want hij zag er ook een paar toen hij 21 was, en al liftend Spanje bereikte. „Wat me intrigeerde… Die schilderijen waren hetzelfde gebleven. Hout en stof. Maar ik was veranderd. Keek ik als 82-jarige anders?” En zoals dat vaker bij hem gaat, „ontaardde” dat in een boek. „Ik maak iets mee, en dat schrijf ik op.” Een duister voorgevoel heet het boek over Bosch, en het is tegelijkertijd uitgekomen in het Duits, Frans en Spaans.

Had hij het zelf niet in het Spaans kunnen schrijven, vraag ik. Hij woont al zo lang op dat Spaanse eiland. „Nee, nee. Als ik in het Nederlands schrijf, is het alsof ik een orgel bespeel. Al die registers. Fluit, de klavieren, de strijkers, de vox humana. Schrijf ik in het Spaans of Engels, dan speel ik slechts gitaar. Of is dat weer beledigend voor gitaristen?” Ik beken dat ik in het toch niet zo erg dikke boekje – met 75 bladzijden is het meer een essay – toch zeker drie woorden heb moeten opzoeken. „O ja? Welke?”, zegt hij, gevleid. Meticuleus. Acribisch. Lapidair. „Maar als zo’n woord nou in één keer zegt wat je bedoelt…” Hij leunt achterover, ineens wrevelig. „Er zijn van die sites waarop je kunt lezen wat mensen van je werk vinden. Staat er een bericht van een meisje, ik denk middelbare scholiere, die Rituelen las. Gadverdamme, stond er. Vijf keer moest ze een woord opzoeken. Zelf een woord als kazuifel kende ze niet.” Hij heft zijn handen ten hemel. „Dat je het niet kent, is één. Maar dat je er ook nog boos om wordt.”

De Nieuw-Zeelandse wijn wordt ingeschonken. Hij brengt een toost uit en kijkt afwachtend hoe de eerste slok valt. „Lekker hè?” En omdat hij heus wel weet hoe ‘dit soort dingen’ kan over komen, zegt hij zelf vast dat hij heus geen wijnsnobist is. „Ik weet er niks van. Alleen dat ik deze heel lekker vind.” Hij is er nooit geweest, zegt hij. In Nieuw-Zeeland. Hij was in Australië, Noord- en Zuid-Amerika, half Europa en Japan en schreef er boeken vol reisverhalen over. Maar dat hij overal is geweest is echt een mythe. „Neem Rusland. Ik ben er vaak overheen gevlogen. Maar geweest? Nooit.” Onder het vroegere regime mocht hij het land alleen bereizen met een gids. Geen denken aan. Niks voor hem. „Ik ben een einzelgänger.”

Het was een tijdje ‘woestijn’

Waar hij ook gaat, altijd reist dat opschrijfboekje mee. Daarin schrijft hij op wat hij ziet, beleeft, ervaart. Is het vol, dan is dát de basis voor zijn volgende boek. „Ik ben nu met twee boeken bezig. Lege vlaktes die gevuld moeten worden, en dan maar zien of ik er levend uitkom.” Qua dichten was het een tijdje „woestijn”. Er gebeurde niks. „Zoals T.S. Elliot zei: There is an age is when poetry no longer happens”. Maar een paar maanden geleden, hij was op Schiermonnikoog, kwam er „tot zijn verbijstering” ineens weer een gedicht uit hem. Goddank. „Ik leef met gedichten. Ook die van anderen.”

„Ik wil nog wel een glas,” besluit hij. „Jij?” Vriendelijk wuift hij naar de bediening. Nog even over Jheronimus Bosch, zeg ik. „O ja, daarvoor was ik hier,” herinnert hij zich. Wat me opviel, was dat hij in zijn boekje niet alleen over het schilderij de Verzoeking van de heilige Antonius in het museum in Lissabon schrijft, maar óók over de mensen die in de weg stonden. „Krankzinnige ervaring. Die twee stonden pontificaal voor het doek. Alsof ze grote kenners waren. Twee uur bleven ze staan. Ik dacht dat ik gek werd.” Bedoelde hij daarmee te zeggen dat de mens van nu geen goed zicht meer heeft op zo’n vijftiende eeuws doek? Nee, zegt hij. „Ik had daar geen metagedachten bij.”

Wat hij zich wel afvraagt, in zijn boek: wat vonden de gegoede burgers die Bosch’ schilderijen kochten van zijn geschilderde gedrochten en zijn perverse taferelen en anale fantasieën? „De notaris, de priester, Philips II, de Hertog van Alva. Wat zágen zij?” Geeft hij, vraag ik, eigenlijk wel antwoord op een andere vraag die hij zich stelde? Keek hij als 82-jarige inderdaad anders dan de lifter die hij in 1954 was? Aha, repliceert hij. „Literatuurkritiek?” Natuurlijk, zegt hij, is er in de afgelopen zestig jaar verschrikkelijk veel veranderd. „Ik zie hetzelfde, maar ik ben iemand anders. Ook voor mij zijn die schilderijen iconen geworden. Vanzelfsprekendheden, die je vergeet goed te bekijken.” Voor de documentaire mocht hij er, samen met de restaurateur, dwars doorheen kijken met infraroodlicht. „Adembenemend. Ineens zie je de schilder. Zijn gepriegel, geknoei. Alsof je er bij bent.”

Een zwaar dessert is aan hem niet meer besteed, zegt hij. Samenzweerderig: „Meestal vraag ik om een kinderijsje.” Hij krijgt twee bolletjes. Zijn leeftijdgenoten overlijden tegenwoordig bij bossen, zegt hij. Hoeveel zijn er nog over van de twaalf leden van zijn Herenclub? Hugo [Claus] is dood, Harry [Mulisch], Hans [van Mierlo]. Hij stopt met tellen. „Krankzinnig idee dat alles verdwijnt. Droevig ook. Het zet me aan het denken, natuurlijk. Wat wil ik nou? Weet ik nog wat anderen weten? Zie ik nog zoals anderen kijken?” Neem al die Japanners, Chinezen en Arabieren die tegenwoordig de musea bevolken. „Wat zien ze als ze naar de Tuin der Lusten van Bosch kijken? Adam, Eva, en tussen hen in Jezus. Weten zij wie deze figuren zijn? Herkennen zij de enormiteit van dat tafereel?” En dan zwijgt hij nog over dat andere, voor hem steeds onbekendere en almaar groeiende volk: de jeugd.