Een kop-en-kontbotsing heb je zo

Racefietsers Steeds meer racefietsers krijgen steeds meer ongelukken. „Als het stoplicht op rood staat, maar je kunt je tijd verbeteren – waar ga je dan voor?”

Foto: William Hoogteyling

Ruud Stelder, arts op de spoedeisende hulp in Alkmaar, neemt op zaterdagochtend net zijn eerste slok koffie als zijn pieper gaat. De letters KLEIN TRAUMA glijden voorbij op zijn telefoon: een ernstig ongeluk, maar de patiënt is stabiel. Bij de achteringang van de eerste hulp licht een verpleegkundige ook de dienstdoende chirurg, radioloog en röntgenlaborant in: een gevallen wielrenner. Alweer.

Het aantal ongevallen met wielrenners neemt de laatste jaren gestaag toe. Kwamen er in 2010 nog 2.200 wielrenners binnen op de spoedeisende hulp, in 2014 waren dit er 5.100, blijkt uit cijfers van het nationaal expertisecentrum VeiligheidNL. „Het zijn er bij ons inmiddels wel tien per week”, zegt Dagmar Vos, traumachirurg in het Amphia Ziekenhuis in Breda.

De ambulance draait de oprit van de Noord-west Ziekenhuisgroep in Alkmaar op. Een man van een jaar of vijfendertig wordt naar de crashkamer gereden. Hij heeft een brace om zijn nek en zijn getrainde lichaam is bedekt met schaafwonden.

020416ZAT_wielrenneoudjes

In de crashkamer klaagt hij over hevige pijn in rechterschouder en borstkas. Ruud Stelder plaatst zijn stethoscoop tussen de flarden van het pakje: de stilte aan de rechterzijde duidt op een geklapte long.

De mannen reden in een groep, vertelt de patiënt. Vlak achter elkaar, om zo min mogelijk last te hebben van de wind. De fietser voor hem slipte, hij kon niet op tijd stoppen.

Zondagochtendgroepjes

De meeste wielrenners fietsen dertig tot veertig kilometer per uur. Een ongeluk kan tot ernstig letsel leiden. In het ziekenhuis vallen ongelukken op zo’n hoge snelheid onder HET: Hoog Energetisch Trauma. Dat betekent: uitgebreid onderzoek op de spoedeisende hulp. „Het protocol moet voorkomen dat we zaken als inwendige bloedingen missen”, zegt traumachirurg Vos. „Soms voelen patiënten bepaald letsel niet, omdat de pijn van het ene letsel het andere ‘overstemt’.”

De behandeling, van binnenkomst in het ziekenhuis tot ontslag, kost gemiddeld 2.900 euro per slachtoffer, berekende VeiligheidNL. Dat kwam in 2014 uit op ongeveer 16 miljoen euro in totaal.

Bijna 70 procent van de ongevallen gebeurt tijdens het rijden in groepen, stelt de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV). Hoe groter de groep, hoe gevaarlijker.

Een andere oorzaak is het niveauverschil in zo’n groep, zegt Kees de Vrij, wielrentrainer van studentengroepen van de twee Amsterdamse universiteiten.

De Nederlandse Toerfietsunie onderscheidt avontuurlijke, fanatieke, vrije en genietende wielrenners. Als die met elkaar in één groep rijden, is een kop-en-kontbotsing zo gebeurd, zegt De Vrij. „Als de een op hoog tempo behendig om een obstakel heen fietst en de ander niet oplet, of de techniek mist om tijdig te reageren, dan is het boem.”

Zogenoemde zondagochtendgroepjes rijden volgens De Vrij relatief veilig. Ze hebben ongeveer hetzelfde niveau en kennen elkaars gewoontes. „Maar doordat wielrennen populairder is geworden, rijden ook onervaren groepen vrienden steeds vaker met elkaar.”

Minder behendige mensen haken minder snel af door het sterk verbeterde materiaal. „Op die fietsen van carbon, die je met één vinger kunt optillen, voel je je al snel een hele piet.” Ook allerlei applicaties op smartphones vergroten de populariteit én de risico’s van de sport. Zoals Strava, waarmee prestaties vergeleken kunnen worden. De Vrij: „Als het stoplicht op rood staat, maar je kunt je tijd verbeteren – waar ga je dan voor?”

Veertigplussers kwetsbaar

Vooral wielrenners van veertig jaar en ouder belanden op de spoedeisende hulp. „De wielrennende man van middelbare leeftijd, voor wie voetballen is afgevallen, maar die wel bezig wil zijn met zijn gezondheid”, typeert traumachirurg Dagmar Vos.

Het is een kwetsbare leeftijdsgroep. De botten worden al wat brozer, de lijven die de klap moeten opvangen, al wat strammer. Als ze vallen, is het vaak goed mis. Vaak vallen ze opzij en vangen de klap op met hun heup of een uitgestoken arm. Breuken – vooral van sleutelbenen, ribben en heupen – en inwendige bloedingen komen veel voor.

Ook de patiënt van Ruud Stelder is er ernstig aan toe. Negen gebroken ribben, waarvan vier op twee plaatsen, een kapot sleutelbeen. Het zuurstofgehalte in het bloed begint te dalen en de patiënt ademt oppervlakkig. Elke ademhaling doet pijn.

Een röntgenfoto bevestigt de klaplong. Een gebroken rib prikte een gat in de long, waardoor lucht de borstkas in loopt. Om die te verwijderen, moet de arts een slang aanleggen. Stelder geeft een verdovende prik en maakt een sneetje onder de arm, bij de oksel, ter hoogte van de tepel. Met zijn vinger maakt hij ruimte voor de drain en plaatst die tussen borstkas en long.

Ziekenhuispyjama

De meeste wielren-ongelukken (44 procent) zijn botsingen met andere weggebruikers blijkt uit SWOV-onderzoek, vaak een andere race- of toerfietser. In die zin zijn wielrenners tegelijk oorzaak en oplossing van het probleem, zegt SWOV-woordvoerder Patrick Rugebregt. Ze zien zelf best mogelijkheden om de veiligheid te verhogen: elkaar (meer) aanspreken op onveilig gedrag, gevaarlijk passeren vermijden, in minder grote groepen rijden.

Voor de patiënt van Stelder zit het onderzoek erop, een verpleegkundige rijdt hem naar de intensive care. Daar krijgt hij een ziekenhuispyjama en 24 uur observatie, zodat inwendige bloedingen alsnog kunnen worden opgemerkt. Hoofdletsel heeft hij niet, blijkt uit de CT-scan, zijn helm heeft de klap goeddeels opgevangen. Waarschijnlijk zit hij snel weer op de fiets.