De Romeinen komen! Met kanalen, wegen, steden, forten en fabrieken

Paul van der Heijden heeft een prachtig overzichtsboek van de Romeinse Limes in Gelderland geschreven. Fijn van toon, goed van informatie en mooi geïllustreerd. Maar ook is erin een toon van lichte verongelijktheid te bespeuren. En terecht. Want in de Romeinse tijd was het Gelderse deel van de grens véél belangrijker dan het westelijke, nu Hollandse en Utrechtse deel. Maar in die natte veengrond van het westen bleef veel meer bewaard van de enorme hoeveelheid materiaal dat het Romeinse Rijk eeuwenlang over deze streken uitstortte. De grens liep langs de Rijn en in het westen stroomde die veel breder en trager dan in Gelderland. Bij overstromingen spoelde daarom niet meteen alles weg. In het westen zijn vrijwel alle grensforten teruggevonden: Leiden, Roomburg, Alphen aan de Rijn, Woerden, Utrecht, Vechten. Groot waren ze niet. Per fort was hooguit een paar honderd soldaten gelegerd, en vaak waren ze leeg als de grens veilig was. De laatste jaren komt veel Romeinennieuws uit het drassige westen, waar vooral de vondsten van prachtige boten opvielen. Beetje jammer voor de Gelderse Romeinenfans.

Ook in Gelderland lagen volgens oude Romeinse kaarten veel grensforten, maar daarvan is er maar één echt teruggevonden: Meinerswijk, ten zuiden van Arnhem (mogelijk Castra Herculis maar waarschijnlijker Levefanum). Van andere forten wordt de plaats vermoed op basis van losse vondsten: een grafsteen en wat puin (in de Bijlandse Waard) of een stapel aardewerk en een scharniersteen (bij Driel). De forten zelf zijn in Gelderland dus allemaal weggespoeld, in het daar nog snelle water van Rijn en Maas.

Gelukkig heeft Gelderland Nijmegen, de grootste en lange tijd enige Romeinse stad in Nederland, met lange tijd een eigen legioen. Vijfduizend man! Een enorme impuls voor de regionale agrarische en ambachtelijke bedrijvigheid was dat. En omdat het gebied na de Bataafse opstand rustig blijft, hebben de soldaten weinig te doen en bouwen ze een aardewerkfabriek en pannenbakkerij (in Berg en Dal). En ook een tempel in Elst.

Uit de eeuwenlange activiteit blijkt een grote vastberadenheid om het landschap aan de eigen eisen aan te passen. Ongekend in deze streken. De Romeinen „deinsden er niet terug voor het graven van kanalen en irrigatiesystemen, het omleggen van rivieren, het cultiveren van woest land, het dempen van moerassen, het kappen van bossen en het aanleggen van kilometers lange aarden wallen. Wie ooit dacht dat de Romeinen de Lage Landen niet belangrijk vonden is na lezing van dit boek wel genezen. En zo niet, hij (of zij) leze dan ook het tegelijk verschenen boek, onder redactie van dezelfde Paul van der Heijden over de Romeinse wegen in Nederland.

Dat wegennetwerk in het rivierengebied is de laatste jaren redelijk in kaart gebracht. Er lopen twee oost-west-wegen: één ruwweg langs de Nederrijn en de Kromme en Oude Rijn naar Katwijk (Lugdunum). En minder duidelijk te reconstrueren is de zuidelijke route: langs de Waal en daarna min of meer ten noorden van de Merwede. Interessant zijn ook de dwarsverbindingen die in het westen goed teruggevonden zijn: een van Naaldwijk (Flenio) via Voorburg (Forum Hadriani) naar Leiden (Matilo) en één nog verder naar het westen door de duinen. Verspoelde grindresten, resten van bekistingen en bermgreppels zijn de belangrijkste aanwijzingen van zo’n weg. De standaard Romeinse weg bestaat niet. In deze streken zijn ze nooit geplaveid, grind en soms schelpen zijn verharding genoeg. Maar altijd zijn er mijlpalen. In het Haagse Wateringse veld werden er vier teruggevonden. Daar wel.