Ombudsman

De dood van elke populaire held is nu een evenement

Over de doden niets dan goeds. Of was het: over bekende doden niets dan groots? NRC Handelsblad pakte de afgelopen maanden uit met speciale producties na de dood van Joost Zwagerman (september), David Bowie (januari), en Johan Cruijff (maart).

Voor Bowie ruimde de krant de hele voorpagina in (Bowie verrast een laatste keer, 11 januari), met binnenin twee pagina’s over de „extreem talentvolle muzikant en performer”, een dag later een katern met nog eens zes pagina’s. Cruijff werd herdacht met een eigen katern van maar liefst zestien pagina’s. Joost Zwagermans postuum verschenen bundel kreeg twee pagina’s in de krant.

Op de herdenking van Bowie volgde bij mij een handjevol protesten van lezers die zoveel aandacht overdreven vonden. Na de Cruijff-special ritselde maar één klager in mijn postvak.

Het maakt eens te meer duidelijk dat, mediabreed, allang niet meer alleen de dood van regeringsleiders-op-leeftijd of gecanoniseerde kunstenaars groot nieuws is, maar ook die van helden uit de wereld van pop, amusement of sport.

Maar zelfs in Engeland, waar Bowie’s dood uiteraard nóg groter nieuws was, verbaasden sommige commentatoren zich over de uitbundigheid en omvang van de berichtgeving. The Guardian-columnist Ian Jack herinnerde eraan hoe de moord op John Lennon in 1980 wel de voorpagina haalde, maar ondergeschikt was aan nieuws over, warempel, de EU. Ter vergelijking: de dood van grungerocker Kurt Cobain werd in NRC Handelsblad in 1994 behandeld op pagina 7, in 562 woorden. Frank Zappa, toch ook geen kleine jongen, moest het een jaar eerder doen met een halve pagina.

Guardian-columnist Jack ziet diverse oorzaken van de schaalvergroting, waaronder de wereldwijde groei van de amusementsindustrie, toegenomen invloed van het publiek, het verdwijnen van de traditionele nieuwshiërarchie in kranten onder invloed van internet. En hij noemt de culturele macht van een generatie babyboomers die, op leeftijd gekomen, zijn jeugdhelden eert.

Dat enkele lezers zich nog wel stoorden aan de grote aandacht voor Bowie maar minder aan die voor Cruijff, zegt vermoedelijk ook iets anders. Cruijff, de bekendste Nederlander ter wereld, was tenslotte hors concours; hij past, op zijn manier, in hetzelfde rijtje grote Nederlanders als de literatoren W.F. Hermans en Mulisch die na hun dood eveneens uitgebreid werden herdacht.

Bovendien hoorde Cruijff in zijn topjaren, zoals in de special werd uitgelegd, bij een fase in de moderne Nederlandse geschiedenis die nu wel met nostalgie wordt bezien: die van welvaartsgroei, ontluikend consumentisme en collectief optimisme, grofweg van 1963 (loonexplosie) tot 1973 (oliecrisis). Bowie prikkelt een hang naar de eigen jeugd of naar geniale muziek, Cruijff de herinnering aan een opgewekter samenleving.

Frank Zappa moest het nog doen met een halve pagina

Ook de presentatie van de krant speelde een rol. Het bericht van Bowie’s dood vulde de hele voorpagina: verder geen nieuws. De dood van Cruijff, toch ook nog onverwacht, bracht de krant uiteraard ook prominent, maar naast ander nieuws, over terrorisme. Dat bevestigt voor lezers dat de krant weliswaar rouwt, maar intussen ook de rest van de wereld in de gaten houdt.

Inclusief de buitengewesten van de dood. Recentelijk las ik in Wetenschap een interessante necrologie van een veel minder wijd en zijd bekende dode, de Amerikaanse filosoof Hilary Putnam. En achterop Opinie&Debat worden wekelijks twee doorgaans minder bekende overledenen herdacht. Een gepaste, mooie manier om lezers te informeren over levens en werken die anders misschien nooit de krant halen.

Waar ook een lezer naar vroeg: geldt in die stukken over beroemdheden niet te veel de mortuis nil nisi bonum? Mag een necrologie, de balans van een leven en werk, niet ook kritisch zijn?

Ook daar lijkt wel iets verschoven. Toen NRC Handelsblad na zijn zelfmoord Herman Broods betekenis probeerde te duiden, met name zijn wording tot nationale ‘knuffeljunk’, was de hoon niet van de lucht – geen respect! Dat lag ook wel aan de plaats (voorpagina) en de kop (Brood spiegel van dubbele moraal, 12 juli 2001), maar uit de verontwaardiging sprak mede: handen af van onze held. Een ‘gewone’ necrologie stond toen overigens ook in de krant.

Ook de eerdere necrologie van Frank Zappa gaf een afgewogen oordeel: naast lof werden enkele harde noten gekraakt over de „tegenstrijdigheden” in zijn oeuvre, de wankele balans tussen humor en ernst, zijn gebrek aan „warmte” en „allengs schralere grappen”.

Maar misschien heeft de cultus van het evenement gewonnen, als het gaat om publieksfavorieten. In de herdenkingen van Bowie las ik bijvoorbeeld nauwelijks een kritische toets. Hij was „extreem talentvol”, „immens populair” en een „buitenissige verschijning” die „velen bevrijdde”, zich „bleef ontwikkelen”, „legendarische optredens” gaf, ondanks enkele „excessen”.

Het zal allemaal waar zijn – maar het is ook nogal superlatief proza, waarin weinig wordt geanalyseerd. Als indicatie dat het soms ook wat minder ging, kwam ik tegen dat in de jaren negentig „de belangstelling” voor Bowie „afnam” en een concert van hem in Utrecht „niet uitverkocht” was. Populariteit lijkt dan het belangrijkste criterium.

Bij Cruijff ontbrak de keerzijde niet – althans, aan zijn bekwaamheid als „ruziemaker” was een apart stuk gewijd. Nu liggen in de sport triomf en drama misschien dichter bij elkaar, maar ooit waren ook popcritici gevreesde figuren. Op de planken in New York ging Lou Reed eens tekeer tegen criticus Robert Christgau, die zijn werk telkens afkraakte. Reed liet de tirade vastleggen op een live album dat vervolgens, getrouw, door Christgau werd afgekraakt.

Sterren eer je met lof en kritiek, ook postuum – dus levensecht.